Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/5.6.2.4
5.6.2.4 Wijzigen van de structuur
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS385548:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB4665, NJ 1969/384 (Warnderink Vinke).
Huizink 2014, p. 68.
Huizink 2014, p. 69.
Rb. Rotterdam 6 september 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1992, JOR 2006/263.
Mohr & Meijers 2013, p. 191.
Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 104.
HR 6 februari 1935, NJ 1935, p. 1513 en HR 7 december 1949, WPNR 1950/4122.
Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 209.
Mohr & Meijers 2013, p. 208.
Huizink 2014, p. 74. Zie ook Tervoort p. 198.
Tervoort 2015, p. 198.
HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241 (Carlande). Zie ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 (Biek Holding). Volgens Tervoort is het overigens niet zeker of de Hoge Raad in het Carlande-arrest deze aansprakelijkheid ook voor de maten van de maatschap heeft willen bevestigen, zie Tervoort 2016, p. 163. Zie ook Van Veen 2015 en Assink & Schild 2015.
Zie hierover ook Van Veen 2015 en Grapperhaus 2015. Over het antwoord op de vraag voor welke schulden toetredende vennoten nu precies aansprakelijk zijn, heeft in de jurisprudentie lange tijd onduidelijkheid bestaan. Zie o.a. Rb. Rotterdam 9 september 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK6803, JOR 2010/54, Rb. Leeuwarden 19 december 2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:BC0680, RO 2008/12 (Jachtservice Ee), Rb. Arnhem 21 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB4560, JOR 2007/267, Rb. Assen 23 februari 2005, ECLI:NL:RBASS:2005:AT0635, JOR 2005/85 (Wezo Groep/A), Rb. Arnhem 21 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB4560, JOR 2007/267, Rb. Rotterdam 14 april 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AP2102, JOR 2004/159, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Pincash) en Hof Arnhem 14 september 1999, ECLI:NL:GHARN:1999:AG3773, JOR 2000/48 (Kroese Wevers/Timberwood).
Zoals gezegd, zal beroepsuitoefening waarschijnlijk plaatsvinden in een dergelijke besloten NV waarvan de aandelen op naam luiden.
D.w.z. in het geval van de samenwerking tussen advocaten, advocaat. Bij notarissen, notaris etc.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1601, NJ 2015/437. Zie ook Zaman & Grapperhaus 2011, p. 16.
Mohr 1995. Zie ook Van Schilfgaarde 2013, p. 388.
Boschma 2014. Zie hierover ook Tervoort 2016.
Voor de regels omtrent deze uitkeringen wordt verwezen naar hoofdstuk 3
Het vermogen van de ene rechtspersoon wordt onder algemene titel verkregen door een andere (nieuwe) rechtspersoon (art. 2:309 BW), de verdwijnende rechtspersoon houdt per direct op te bestaan (art. 2:311 lid 1 BW) en de leden en aandeelhouders van de verdwijnende rechtspersoon worden door de fusie lid of aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon (art. 2:311 lid 2 BW ).
Van der Heijden, Van der Grinten & Dortmond 2013, nr. 405.
Toe- en uittreden van de maten
In de meeste gevallen wordt een maatschap door beroepsbeoefenaren aangegaan met het oogmerk om een duurzame samenwerking tot stand te brengen. Het is uiteraard denkbaar dat er gedurende de rit veranderingen in de structuur van het samenwerkingsverband (moeten) plaatsvinden. Zo kan het zijn dat een vennoot gedurende de rit te kennen geeft geen deel meer te willen uitmaken van het samenwerkingsverband en dus de samenwerking te willen beëindigen (vrijwillig vertrek). Daarnaast is uiteraard ook de omgekeerde situatie mogelijk waarbij de overige vennoten de samenwerking willen opzeggen aan een van hen (onvrijwillig vertrek). Voor het vrijwillig vertrek geldt dat opzegging mogelijk is voor zover er geen nadere afspraken zijn gemaakt in de vennootschapsovereenkomst (artikel 7A:1683 sub 3 BW). De opzegging dient wel in overeenstemming te zijn met de redelijkheid en billijkheid (artikel 7A:1686 lid 1 BW). Zo is het in de meeste gevallen bijvoorbeeld niet mogelijk om per direct op te stappen, omdat een vennoot vanwege het persoonlijke karakter van de samenwerking vaak niet zomaar gemist kan worden bij de praktijkuitoefening (artikel 7A:1686 BW). Wat het onvrijwillig vertrek betreft: het opzeggen door de ‘andere vennoten’ aan een vennoot (uitstoting) is op grond van de wet niet mogelijk.1 In deze mogelijkheid dient de vennootschapsovereenkomst dus te voorzien.2 Daarnaast kan de rechter op grond van artikel 7A:1684 BW de maatschap op vordering van elk van de vennoten ontbinden wegens gewichtige redenen. Van gewichtige redenen is sprake wanneer een vennoot in zijn verplichtingen uit het maatschapscontract tekort is geschoten, of wanneer hij niet langer in staat is om als vennoot te functioneren.3 Daarnaast biedt artikel 7A:1684 BW uitkomst in situaties waarin in de vennootschapsovereenkomst niet in uitstoting wordt voorzien of waarin opzegging in de overeenkomst is uitgesloten.4 Ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW heeft overigens als bijkomend voordeel dat er tijdens de procedure schadevergoeding kan worden gevorderd.
Uit de wet volgt voorts nog een aantal objectieve omstandigheden die leiden tot het uittreden van vennoten. Op grond van artikel 7A:1683 sub 4 BW hebben de dood, het faillissement en de onder curatele stelling van een vennoot zijn uittreding tot gevolg.5 Uiteraard kan ook de vennootschapsovereenkomst voorzien in aanvullende en/of afwijkende regelingen over het vrijwillig dan wel onvrijwillig vertrek van een vennoot. Te denken valt bijvoorbeeld aan een bepaling over (vrijwillige) uittreding in de situatie dat een vennoot de pensioengerechtigde leeftijd bereikt of bij de ontzetting uit het ambt of schrapping van het tableau et cetera.
Het kan uiteraard ook gewenst zijn dat er juist nieuwe vennoten toetreden tot het samenwerkingsverband, al dan niet in het kader van opvolging van een uitgetreden vennoot. Van opvolging is sprake wanneer het aandeel in het vennootschappelijk vermogen van de uittredende vennoot, tegen betaling wordt geleverd aan de toetredende nieuwe vennoot. Wanneer een vennoot slechts toetreedt, en dus geen uittredende vennoot opvolgt, gelden voor hem de gewone inbrengregels (artikel 7A:1662 BW). Het toetreden van (of opvolgen door) nieuwe vennoten is mogelijk voor zover alle vennoten hieraan medewerking verlenen. Ook ten aanzien van toetreding en opvolging kunnen echter aanvullende en/of afwijkende afspraken worden gemaakt in de vennootschapsovereenkomst.6
Wisselingen in de samenstelling van de vennoten zijn in beginsel ingrijpend van aard. Als de vennoten namelijk niet anders zijn overeengekomen, leidt elke wisseling in de vennoten tot ontbinding van de maatschap (artikel 7A:1684 BW) (zie paragraaf 5.6.3.1). Dit is meestal niet wenselijk. Daarom wordt vaak een zogenoemd voortzettingsbeding in de vennootschapsovereenkomst opgenomen. Op deze manier wordt het in stand blijven van de maatschap verbintenisrechtelijk geregeld en kunnen de twee of meer vennoten die ‘overblijven’ (of toetreden) de vennootschap voortzetten. Dat het mogelijk is om een voortzettingsbeding in de vennootschapsovereenkomst op te nemen blijkt (slechts) indirect uit de wet. Zo maakt artikel 7A:1688 BW melding van een dergelijk beding en ook uit artikel 7A:1678 BW kan worden afgeleid dat het mogelijk is om de vennootschap voort te zetten ondanks een wisseling in de vennoten. De Hoge Raad heeft tot twee keer toe erkend dat het mogelijk is om ondanks wisselingen in de vennoten de maatschap voor te laten bestaan. Een verandering in het aantal vennoten behoeft, volgens de Hoge Raad, niet per definitie ontbinding van de vennootschap te betekenen. ‘De voortzetting der vennootschap kan niet alleen bij de aanvang, doch ook later, bijvoorbeeld ter gelegenheid van het uittreden van een vennoot, zijn overeengekomen, zulks zowel mondeling als schriftelijk’, aldus de Hoge Raad.7
Goederenrechtelijke gevolgen van toe- en uittreden bij de maatschap
Het uit- en toetreden van vennoten heeft, gezien het karakter van het kapitaal van de maatschap, (veelal) ook goederenrechtelijke consequenties. Er zullen, wanneer het samenwerkingsverband wordt voortgezet, bij uittreding en opvolging voorzieningen moeten worden getroffen die bewerkstelligen dat het vennootschapsvermogen, waarin ook de uittredende vennoot deelgerechtigd is, voor de vennootschap behouden blijft. Hiervoor dienen vermogensbedingen in de vennootschapsovereenkomst opgenomen te worden. Deze bedingen dragen er zorg voor dat de vennootschappelijke bedrijfsmiddelen goederenrechtelijk ter beschikking blijven van de voortzettende vennoten. De vermogensbedingen moeten zo veel mogelijk betrekking hebben op alle aan de vennootschap ter beschikking staande vermogensbestanddelen.
Gewenst zal immers zijn dat niet slechts de gemeenschapsgoederen (uit de goederenrechtelijke vennootschapsgemeenschap), maar alle goederen die door de vennoten aan de vennootschap op andere wijze dienstbaar zijn gemaakt, blijvend voor de vennootschapsactiviteiten ter beschikking zullen zijn. Vermogensbedingen zijn in twee soorten te onderscheiden: verblijvingsbedingen en overnemingsbedingen. Eerstgenoemde bedingen zien op de gemeenschapsgoederen (dus op die goederen die in juridisch eigendom zijn ingebracht). In een verblijvingsbeding spreken de vennoten, kort gezegd, af hoe de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen dient plaats te vinden bij uittreden van een vennoot. De vennoten verbinden zich om bij uittreding van een van hen mee te werken aan de toedeling van het gemeenschappelijk vermogen aan de vennoten die de vennootschap willen voortzetten. Op grond van artikel 3:189 lid 2 BW verplicht deze verdeling bij voorbaat, tot levering (artikel 3:186 lid 1 BW) wanneer de uittreding zich voordoet.8
Voor de goederen die niet tot de vennootschappelijke gemeenschap behoren en waarvoor verblijven of toedelen niet van toepassing is, kan een zogenoemd overnemingsbeding worden opgesteld. Dit beding beoogt de mogelijkheid aan de vennootschap ter beschikking staande privégoederen van een uittredende vennoot voor de maatschap te behouden, of aan een opvolgende vennoot over te dragen. Deze overneming dient uiteraard door middel van overdracht (levering) plaats te vinden; de goederen dienen te worden geleverd (artikel 3:83 BW).9
Wanneer sprake is van de hierboven besproken bedingen en de vennootschap dus kan worden voortgezet ondanks het uittreden van een vennoot, heeft deze uittredende vennoot bij zijn uittreden recht op de uitkering van zijn economische deelgerechtigdheid in het vennootschapsvermogen, waaronder begrepen de winsten en verliezen. Indien deze deelgerechtigdheid negatief is, dient de uittredende vennoot uiteraard aan de vennootschap (c.q. de vennoten) te betalen.
Jegens derden blijven uittredende vennoten aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap die zijn ontstaan in de periode dat ze vennoot waren (artikel 7A:1680 jo. 6:6 BW).
Wel kan een vennoot een derde op de hoogte stellen van zijn uittreden. ‘Wanneer de wederpartij het contract daarna onverminderd voortzet – alles met inachtneming van een, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, redelijke termijn – zou die wederpartij geacht moeten worden de overeenkomst met het contractuele samenwerkingsverband in gewijzigde samenstelling en met dus een gewijzigde vennootschapsaansprakelijkheid, te willen voortzetten.”10De uittredende maat is in dat geval niet langer aansprakelijk.11
Toetredende maten zijn (voor gelijke delen) aansprakelijk voor reeds bestaande (en daarmee dus alle schulden) van de vennootschap, zo besliste de Hoge Raad in het Carlande-arrest.12 De Hoge Raad maakte met deze uitspraak een einde aan de onzekerheid die er lange tijd ten aanzien van dit onderwerp in de literatuur en rechtspraak bestond.13
Toe- en uittreden van aandeelhouders
Bij de kapitaalvennootschappen is het toe- en uittreden van vennoten relatief (en in verhouding tot de maatschap) eenvoudig en heeft in ieder geval, in de meeste gevallen, minder ingrijpende gevolgen voor het voortbestaan van het samenwerkingsverband. Een aandeelhouder kan uit de vennootschap treden door zijn aandeel te verkopen. In het geval van een BV dient hij, tenzij de statuten anders bepalen, hierbij de blokkeringsregeling in acht te nemen (artikel 2:195 BW) en zijn aandelen, kort gezegd, eerst aan te bieden aan de overige aandeelhouders. Door middel van deze regeling kan de beslotenheid van de vennootschap behouden blijven en hebben de aandeelhouders invloed op de samenstelling van het samenwerkingsverband. In het kader van gezamenlijke beroepsuitoefening zal een dergelijke blokkeringsregeling dus zeer vaak wenselijk zijn. Het aandeel (op naam) dient vervolgens met inachtneming van de daarvoor geldende formaliteiten geleverd te worden aan de nieuwe vennoot. Voor de NV geldt de blokkeringsregeling in beginsel niet (artikel 2:87a BW) (tenzij de statuten anders bepalen, wat in het kader van gezamenlijke beroepsuitoefening dus dikwijls het geval zal (dienen te) zijn) en de leveringsformaliteiten die voor aandelen in een NV in acht moeten worden genomen, zijn afhankelijk van het soort aandeel (op naam of aan toonder).
Personen die tot het samenwerkingsverband willen toetreden dienen aandelen in de vennootschap te nemen. Dit kan (dus) van een vertrekkende aandeelhouder of, indien de vennootschap nog aandelen in haar eigen kapitaal houdt, van de vennootschap. Een andere optie is dat de vennootschap, ingevolge een besluit van de algemene vergadering, nieuwe aandelen uitgeeft aan de toetredende aandeelhouder (artikel 2:96/206 BW).
Hoewel het toe- en uittreden bij een kapitaalvennootschap er zo op het eerste gezicht wellicht eenvoudig uitziet en het in beginsel minder vergaande consequenties heeft ten aanzien van de continuïteit van het samenwerkingsverband dan het uittreden of toetreden bij de maatschap, moet wel bedacht worden dat ook in dit kader rekening gehouden moet worden met de (dwingendrechtelijke) bepalingen van kapitaalbescherming. De vennootschap zal bijvoorbeeld (in sommige gevallen) immers wettelijk beperkt zijn om de toetredende aandeelhouder de helpende hand te bieden bij de financiering van de door hem te verkrijgen aandelen en in de mogelijkheid om bij uittreden aandelen in te trekken of in te kopen in het geval dat het niet mogelijk is om de aandelen aan andere aandeelhouders over te dragen (zie paragraaf 5.6.2.3). Daarnaast geldt als een meer algemene kanttekening dat een aandeelhouder in het kader van zijn wens tot toe- of uittreden, zoals hiervoor geschetst, in grote mate afhankelijk is van de mogelijkheid om een/zijn aandeel te kopen/verkopen.
In een aandeelhoudersovereenkomst kunnen, zoals hiervoor besproken, de aandeelhouders aanvullende afspraken maken over de voorwaarden voor toetreden, uittreden en uitstoten van aandeelhouders. Onderwerpen waarover vaak afspraken worden gemaakt zijn (de consequenties van) het disfunctioneren van een aandeelhouder, de waardebepaling van een aandeel bij (verplicht) uittreden en een geschillenregeling. Ook is het mogelijk om in de statuten een geschillenregeling op te nemen. Hiermee kan de wettelijke geschillenregeling (voor aandeelhouders van de BV en voor zogenoemde besloten NV’s14 (artikel 2:335 lid 1 jo. lid 2 BW)) uit titel 8 van Boek 2 BW worden ‘weggeschreven’. Dit zal gezien het persoonlijke en besloten karakter van een BV of NV van beroepsbeoefenaren in veel gevallen gebeuren. Een statutaire geschillenregeling (of een regeling die is opgenomen in een aandeelhoudersovereenkomst) gaat op grond van artikel 2:337 BW in beginsel voor op de wettelijke regeling. Dit is anders wanneer deze regeling de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. In het geval dat deze uitzondering aan de orde is of er geen ‘eigen’ geschillenregeling is opgenomen (in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst) geldt de wettelijke regeling. Artikel 2:336 BW bevat een uitstotingsregeling op grond waarvan een aandeelhouder verplicht is zijn aandelen over te dragen als door zijn gedragingen het belang van de vennootschap wordt (of is) geschaad en het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. De overige aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatst kapitaal verschaffen, kunnen in een dergelijke situatie van deze aandeelhouder in rechte vorderen dat hij zijn aandelen overdraagt. In artikel 2:343 BW staat een regeling ten aanzien van de spiegelbeeldige situatie: een aandeelhouder die door een of meer medeaandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan jegens zijn medevennoten een uittredingsvordering instellen inhoudende dat zijn aandelen worden overgenomen.
Toe- en uittreden van leden
Leden van de coöperatie hebben in beginsel de vrijheid om naar wens toe- en uit te treden (artikel 2:34 en 2:35 BW). De statuten kunnen echter voorwaarden verbinden aan het toe- en uittreden (artikel 2:60 BW). Zo kunnen er voor toetredende leden kwaliteitseisen gelden. In het kader van beroepsuitoefening kan men dan bijvoorbeeld denken aan de eis dat het lid, al dan niet middels een praktijkvennootschap, een beroep uitoefent.15 Bij uittreden ziet men nog wel eens dat de statuten de eis bevatten dat het lid bij zijn uittreden ‘uittreedgeld’ dient te betalen.16 Ook bij het gebruik van de coöperatie kunnen de leden (beroepsbeoefenaren) overigens in een ‘ledenovereenkomst’ nadere afspraken met elkaar maken over de voorwaarden voor toe- of uittreden (te denken valt wederom aan een geschillenregeling, disfunctioneren, ziekte et cetera).
Op grond van artikel 2:36 BW geldt overigens bij opzegging van het lidmaatschap (uittreden) een opzeggingstermijn van een maand. In de statuten kan een andere termijn worden opgenomen. Een lid kan zijn lidmaatschap tevens met onmiddellijke ingang opzeggen wanneer een besluit is genomen tot omzetting, fusie of splitsing van de coöperatie (artikel 2:36 lid 4 BW) of wanneer een besluit is genomen waarbij zijn rechten zijn beperkt of zijn verplichtingen zijn verzwaard. Deze laatste bevoegdheid kan de leden overigens bij de statuten worden ontzegd voor het geval van wijziging van de daar nauwkeurig omschreven rechten en verplichtingen en in het algemeen voor het geval van wijziging van geldelijke rechten en verplichtingen (artikel 2:36 lid 3 BW).
Statutenwijziging/wijziging van de vennootschapsovereenkomst
Voor een wijziging van de doelstelling, de werkzaamheden, soorten aandelen of de structuur van een kapitaalvennootschap is in de meeste gevallen een statutenwijziging nodig. Uit de wet volgt een aantal algemene (dwingendrechtelijke) regels die bij elke statutenwijziging in acht genomen dienen te worden en een aantal regels die slechts in bepaalde situaties van toepassing zijn (zie artikel 2:121/231 e.v. BW). Van belang is dat de algemene vergadering, op voorstel van het bestuur, (dwingendrechtelijk) bevoegd is tot statutenwijziging. Deze bevoegdheid kan niet aan een ander orgaan of aan andere personen worden toegekend en het voorstel tot statutenwijziging moet reeds bij de oproeping van de algemene vergadering worden aangekondigd (artikel 2:123/233 BW). Het besluit tot statutenwijziging kan de datum van inwerkingtreding noemen en ook een voorwaarde voor inwerkingtreding bevatten (bijvoorbeeld een besluit van een ander orgaan). Op deze laatste manier kan er toch invloed van anderen dan de algemene vergadering worden gegenereerd. De statutenwijziging dient vervolgens in een notariële akte te worden vastgelegd en de gewijzigde statuten zullen daarna bij het handelsregister moeten worden gedeponeerd.
De statutenwijziging treedt in werking op het moment van het passeren van de akte of wanneer aan de in het besluit tot statutenwijziging opgenomen voorwaarde voor inwerkingtreding is voldaan.
Belangrijk in het kader van de statutenwijziging bij kapitaalvennootschappen is voorts artikel 2:122/232 BW. Op grond van deze bepaling kan wijziging van een statutaire bepaling geen nadeel toebrengen aan een recht dat in de, te wijzigen, bepaling aan een ander dan een aandeelhouder als zodanig is toegekend. In dit kader kan gedacht worden aan statutair vastgelegde contractuele rechten zoals een vergoedingsrecht of een alleenverkooprecht. Voor de BV geldt daarnaast nog de beschermingsconstructie van artikel 2:231 lid 4 BW. Op basis van dit artikel behoeft, kort gezegd, een besluit tot statutenwijziging dat specifiek afbreuk doet aan enig recht van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding goedkeuring van deze groep van aandeelhouders. Deze regeling is een voorbeeld van de verschillende, in de Wet Flex-BV opgenomen, bepalingen ter bescherming van minderheidsaandeelhouders die door de uitbreiding/flexibilisering van statutaire mogelijkheden in de knel zouden kunnen komen. Andere voorbeelden zijn de regeling van de persoonsgebonden vrijstelling bij het in de statuten opnemen van kwalitatieve verbintenissen (artikel 2:192a BW), instemmingsvereisten en dwingendrechtelijk voorgeschreven unanimiteitseisen. Hoewel de statutaire mogelijkheden voor de BV, zoals eerder besproken, aanzienlijk flexibeler zijn geworden, maken de genoemde beschermingsbepalingen dat deze flexibiliteit deels weer ingeperkt wordt.
Op grond van artikel 2:42 BW geldt ook voor de coöperatie de dwingendrechtelijke bepaling dat de statuten slechts kunnen worden gewijzigd door een besluit van de algemene ledenvergadering. Voor deze vergadering dienen de leden ten minste zeven dagen voor de vergadering te worden opgeroepen met de mededeling dat een wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. Op grond van artikel 2:43 lid 1 BW geldt voor een besluit tot statutenwijziging van de coöperatie dat, tenzij de statuten anders bepalen, het ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen behoeft.
Op (het wijzigen van) de maatschapsovereenkomst is het algemene overeenkomstenrecht van toepassing. Dit betekent dat voor het wijzigingen van de overeenkomst in beginsel de instemming van alle vennoten is vereist. Daarmee is het dus lastiger om wijzigingen aan te brengen in een maatschapsovereenkomst dan in de statuten van een rechtspersoon (waarvoor tenslotte in de meeste gevallen slechts een (gewone of gekwalificeerde) meerderheid nodig is). Vanwege het regelende karakter van het personenvennootschapsrecht is het echter mogelijk om in het maatschapscontract te bepalen dat er andere regels gelden voor het wijzigen van deze overeenkomst (bijvoorbeeld een gewone meerderheid).
Omzetting
De kapitaalvennootschappen en de coöperatie kunnen zich, net als de andere rechtspersonen die genoemd staan in artikel 2:3 BW, direct omzetten in een andere rechtspersoon (genoemd in artikel 2:3 BW) en vice versa (artikel 2:18 BW). Omzetting geschiedt middels een besluit hiertoe van de algemene vergadering en gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een statutenwijziging. Ook voor deze statutenwijziging is een besluit van de algemene vergadering vereist. In beginsel is voor dit besluit (tot omzetting/statutenwijziging) een versterkte meerderheid nodig (artikel 2:18 lid 2 BW). Ook de wettelijke/statutaire voorschriften inzake statutenwijziging dienen in acht te worden genomen (artikel 2:18 lid 2 sub a BW). De regel ten aanzien de versterkte meerderheid geldt echter niet bij de omzetting van een NV in een BV of vice versa. Hier is, mits de statuten niet anders bepalen, een besluit genomen met een gewone meerderheid van stemmen voldoende (artikel 2:18 lid 3 BW). Bij de omzetting van een BV in een NV of andersom gelden naast artikel 2:18 BW ook de regels die voortvloeien uit artikel 2:72/183 BW. Dit betekent onder andere dat wanneer een rechtspersoon in een NV wordt omgezet aan de akte van omzetting een accountantsverklaring dient te worden gehecht waaruit blijkt dat het eigen vermogen van de rechtspersoon uiterlijk vijf maanden voor de omzetting gelijk was aan het kapitaal van de NV ten tijde van de omzetting. Bij de omzetting van een NV in een BV geldt op grond van deze bepaling bovendien dat wanneer de omzetting in de BV gepaard gaat met de uitgifte van stemrechtloze of winstrechtloze aandelen daarvoor instemming nodig is van de nemer van die aandelen.
In het geval dat een coöperatie (of een vereniging of onderlinge waarborgmaatschappij) wordt omgezet in een BV of NV wordt elk lid van rechtswege aandeelhouder van de vennootschap (artikel 2:72 lid 2 en 2:183 lid 3 BW).
Het is niet mogelijk om een maatschap direct om te zetten in een andere rechtsvorm. Het karakter van de maatschap, als overeenkomst, verhindert dit nu de oprichting van de meeste andere rechtsvormen (dat wil zeggen rechtspersonen) (wel) aan vormvereisten dient te voldoen. Om de samenwerking vanuit een maatschap onder te brengen in een andere rechtsvorm (met rechtspersoonlijkheid) dient een nieuwe rechtsvorm te worden opgericht met inbreng en overdracht van de activa onder bijzondere titel aan de nieuwe rechtsvorm. De maatschap(sovereenkomst) zal ontbonden moeten worden, maar (het vermogen) niet vereffend.17
Het feit dat directe omzetting niet mogelijk is, wordt als een belangrijke tekortkoming van de maatschap gezien omdat herstructurering hiermee per definitie tijdrovend en (dus) kostbaar is. Dit is, volgens onder andere Boschma, dan ook een van de punten die de wetgever bij een eventuele nieuwe regeling over personenvennootschappen in zijn overwegingen mee zou moeten nemen.18
Wanneer beroepsbeoefenaren hun maatschap willen ‘omzetten’ in een NV of BV dienen zij, als de maten van de ‘oude’ maatschap, gezamenlijk de vennootschap op te richten en dient ieder van hen zijn (financiële) rechten en plichten in de maatschap daarin in te brengen ter volstorting van de door hem genomen aandelen. De waarde van het vermogen van de vennootschap zal hiermee in beginsel derhalve gelijk zijn aan de waarde van de goederenrechtelijke gemeenschap van de oude maatschap. De maten worden (daarmee) aandeelhouder (en eventueel ook bestuurder van de vennootschap) en de dienstverlening zal voortaan worden verricht in naam van de vennootschap. In de meeste gevallen zullen de beroepsbeoefenaren een opdrachtsverhouding met de vennootschap overeenkomen (managementovereenkomst) en hiervoor een periodieke vergoeding (managementfee) ontvangen. Daarnaast kunnen zij, als aandeelhouder, besluiten tot het doen van uitkeringen.19
Om de maatschap ‘om te zetten’ in een coöperatie zullen de maten van de ‘oude’ maatschap samen een coöperatie moeten oprichten waarvan zij allen lid worden. Elke maat dient vervolgens de coöperatie de middelen ter beschikking te stellen waartoe hij in de ontbonden maatschap gerechtigd was; hij wordt daarvoor dan gecrediteerd op zijn ‘ledenrekening’. De coöperatie heeft hiermee vervolgens hetzelfde vermogen tot haar beschikking als de vroegere maten van de maatschap (het gemeenschapsvermogen).
Juridische fusie en splitsing
Maatschappen kunnen niet fuseren. Het is niet mogelijk om twee overeenkomsten juridisch gezien direct samen te voegen tot een nieuwe overeenkomst. Dit is, bij twee maatschappen, in beginsel ook niet nodig nu het karakter van de maatschap, als persoonsgebonden overeenkomst, toelaat dat deze overeenkomst gewijzigd kan worden en er daarmee een mogelijkheid bestaat om het samenwerkingsverband te herstructureren door bijvoorbeeld het toetreden van nieuwe vennoten en op deze manier twee samenwerkingsverbanden met elkaar te laten ‘samensmelten’.
Voor de volledige samenvoeging van twee of meer rechtspersonen is dit heel anders. Gezien de ingrijpende20 aard van deze herstructurering waarbij twee of meer rechtspersonen volledig samensmelten, bevat de wet hiervoor in artikel 2:308-334 BW een uitgebreide regeling. Als uitgangspunt geldt dat slechts rechtspersonen met dezelfde rechtsvorm met elkaar kunnen fuseren.21Artikel 2:310 lid 4 BW geeft hierop als uitzondering voor de kapitaalvennootschappen dat de BV en NV in dit kader als dezelfde rechtsvorm worden gezien. Voor de coöperatie geldt als uitzondering dat ook zij met een andere rechtsvorm kan fuseren als de coöperatie als verdwijnende rechtspersoon optreedt in een juridische fusie waarin de andere rechtspersoon enig lid is van de coöperatie (artikel 2:310 lid 4 BW).
Het spiegelbeeld van juridische fusie is splitsing. Ook hiervoor geldt dat dit slechts mogelijk is voor rechtspersonen en niet voor de maatschap. De regels ten aanzien van splitsing staan in artikel 2:334a-334II BW en er gelden (grotendeels) vergelijkbare procedurevoorschriften als voor de juridische fusie.