Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.6.0
4.2.6.0 Introductie
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483101:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p. 34.
Idem.
H.W. Heyman, ‘De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht’, WPNR 1974/5270, p. 474.
E.F. Verheul pleit voor het invoeren van een wettelijke voorziening om de verkoper onder voorbehoud te beschermen tegen de gevolgen van natrekking. Zie: E.F. Verheul, ‘Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking’, WPNR 2015/7053.
Regels met betrekking tot derdenbescherming daar gelaten.
Ploegers argumenten tegen de rechtszekerheid als motief voor het eenheidsbeginsel kunnen mij niet overtuigen. Hij stelt dat rechtszekerheid wel kan verklaren waarom een zakenrechtelijke eenheid een eenheid blijft, maar geen criterium kan bieden voor het ontstaan van een zakenrechtelijke eenheid.1 Hij licht dit toe door te stellen: “het enkele streven naar zekerheid kan geen argumenten bieden aan de hand waarvan in een bepaald geval de vraag kan worden beantwoord of een voorwerp bestanddeel wordt of zelfstandig blijft.” Zelf ziet hij dit als ‘doorslaggevend argument’.2
Het eenheidsbeginsel leidt ertoe dat de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van de bestanddelen van die zaak. Indien bestanddeelvorming plaatsvindt, heeft dit tot gevolg dat het eigendomsrecht ten aanzien van de nagetrokken zaak teniet gaat, alsmede alle beperkte rechten die rustten op die zaak. Dit resultaat is, zoals Heyman het verwoordt, alleen acceptabel, als iedere andere oplossing nog ongewenster is.3
De zoektocht naar de ratio achter het eenheidsbeginsel is derhalve het zoeken naar een antwoord op de vraag waarom de eigenaar van een zaak ook eigenaar is van haar bestanddelen. Met andere woorden: het antwoord op de vraag waarom het níet mogelijk is dat iemand eigenaar kan zijn van een bestanddeel van een (hoofd)zaak waarvan een ander eigenaar is. De enige rechtvaardiging hiervoor is mijns inziens dat het onwenselijk is dat een zaak, die er uitziet als een geheel, kan bestaan uit verschillende, gefragmenteerde eigendomsrechten.
Wat zou het alternatief zijn? Stel dat ons Burgerlijk Wetboek geen regels omtrent natrekking zou kennen. Het ‘eenheidsbeginsel’ zou ons dan vreemd zijn. De hoofdregel zoals neergelegd in art. 5:3 BW, dat bepaalt dat de eigenaar van een zaak tevens eigenaar is van haar bestanddelen, is in dat geval non-existent. Dit heeft tot gevolg dat zakenrechtelijke aanspraken ten aanzien van onzelfstandige zaaksdelen mogelijk zouden zijn. Dit zou het belang van leveranciers onder eigendomsvoorbehoud ontegenzeggelijk dienen. Hun eigendomsrecht kan in zo een systeem immers niet teniet gaan, doordat het door hen geleverde nagetrokken wordt door een andere zaak.4 Dit zou overigens ook een verandering, c.q. beperking van de mogelijkheid tot revindicatie met zich brengen. Indien het niet mogelijk is om een zaak fysiek af te scheiden, kan deze niet onder een ander opgeëist worden.
Ten faveure van een wettelijk systeem zonder natrekkingsregels kan gesteld worden dat het de eigendom beschermt van degene die wanneer er wél natrekkingsregels toegepast zouden worden, zijn eigendomsrecht verliest. Wanneer ik met een aantal balken, dat in eigendom toebehoort aan mijn buurman een tussenwandje zou bouwen, blijft het eigendomsrecht van de balken bij de buurman. Hiermee wordt ook de beperkt gerechtigde beschermd, die een beperkt recht heeft op de zaak die (als zelfstandige zaak) anders door natrekking verloren zou gaan. Indien de balken bezwaard zouden zijn met pandrechten, dan blijft met het in stand blijven van het eigendomsrecht van de balken, tevens de hierop rustende beperkte rechten in stand. Dit betekent echter ook dat wanneer ik mijn huis vervolgens overdraag aan X, deze geconfronteerd kan worden met het eigendomsrecht van mijn buurman ten aanzien van de balken.5 Waarop wellicht ook nog een pandrecht rust.
Behalve dat zo een systeem in mijn ogen onwerkbaar is, brengt het ook grote rechtsonzekerheid met zich. Hoe wordt de omvang van een eigendomsrecht bepaald als de fysieke grenzen van een zaak niet langer leidend zijn? Zo een versnippering van het eigendomsrecht betekent een even zo grote versnippering van de mogelijkheid van het vestigen van beperkte rechten.
Het bestaan van het eenheidsbeginsel ecarteert een dergelijke versnippering van het eigendomsrecht. De belangrijkste rechtvaardiging hiervoor, is dat men erop mag vertrouwen dat op dat wat eruit ziet als één zaak, ook één eigendomsrecht rust. Oftewel: rechtszekerheid en niet het waardemotief zoals Ploeger verdedigt.
Een aantal redenen steunt mij in deze overtuigen, te weten:
Het waardemotief verklaart niet waarom een eenheidszaak ontstaat door bestanddeelvorming naar verkeersopvatting,6 zoals eerst aangenomen in het arrest Sleepboot Egbertha;
De enige uitzondering op het eenheidsbeginsel is de vestiging van een opstalrecht. Dit geldt echter alleen voor onroerende zaken en niet voor roerende zaken;
Het schrappen van lid 3 van art. 3:4 BW.
Ik zal dit in het navolgende toelichten.