Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.1.1:III.5.4.1.1 Het cognitieve spoor en de hoeveelheid informatie
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.1.1
III.5.4.1.1 Het cognitieve spoor en de hoeveelheid informatie
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456760:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verdachte kan denken dat al zijn diepste geheimen worden ‘uitgelezen’, alsof zijn brein een harde schijf is waarvan bestanden kunnen worden gedownload. Deze analogie geeft echter een onjuist beeld van (neuro)geheugendetectie. Bij (neuro)geheugendetectie wordt onderzocht of iemand herinneringen aan details van een gebeurtenis heeft opgeslagen in zijn geheugen. Er wordt gericht gezocht naar deze herinneringen door een cognitieve reactie (de herkenning) uit te lokken. Het enige dat naar boven kan komen tijdens de afname van de GKT zijn herkenningen, en geen andere herinneringen die niets met het strafbare feit te maken hebben (ervan uitgaande dat de GKT-deskundige geen misbruik maakt van de mogelijkheid om ook allerlei andere onderwerpen in het onderzoek te verwerken én zonder de vrije associaties die verdachte zelfstanding ontwikkelt tijdens de afname in ogenschouw te nemen (maar die kunnen niet inhoudelijk worden geregistreerd)).
Bij een inbeslagname van een dagboek of het opvragen van digitale gegevens (waaronder de inhoud van e-mails en andere berichten) bij een telecommunicatieaanbieder of het langdurig stelselmatig observeren van een persoon, wordt een veel algemener beeld verkregen van de verdachte. Het cognitieve spoor in de zin van de hoeveelheid aan informatie die wordt verkregen met (neuro)geheugendetectie is derhalve beperkt. Het is mijns inziens dus niet zo dat de verdachte zijn zelfrespect verliest omdat de autoriteiten een enorme hoeveelheid informatie verkrijgen. Dit is ook zo als (neuro)geheugendetectie met DNA-onderzoek wordt vergeleken. Beide methoden gebruiken biologische informatie – respectievelijk hersenactiviteit en bloed – maar uit de hersenactiviteit(spatronen) kunnen geen identificerende kenmerken worden gehaald, terwijl dit uit een opgesteld DNA-profiel wel kan.