Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.4.1.2
III.5.4.1.2 Het cognitieve spoor en de bron van informatie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456761:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 60-61. Overigens vormt de menselijke waardigheid volgens Bublitz en Merkel een van de grondslagen van het recht op mentale zelfdeterminatie.
J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 62.
J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 66.
Ook de auteurs vinden zelf een bescherming tegen priming te ver gaan. J.C. Bublitz & R. Merkel, ‘Crimes against Minds: On Mental Manipulations, Harms and a Human Right to Mental Self-Determination’, Crim Law and Philos 2014, 1, p. 66.
Tot nu toe heb ik geen aandacht besteed aan de bron van informatie. Gegevens downloaden of opvragen of uit een geschrift halen, zijn veel minder ingrijpend dan dezelfde informatie rechtstreeks uit iemands hersenen afleiden. Dit is een grove inbreuk op de geestelijke integriteit omdat iemand normaliter de vrije beschikking en controle heeft over het openbaren van herinneringen. Maar maakt die inbreuk de toepassing van (neuro)geheugendetectie een schending van de intrinsieke eer als onderdeel van de menselijke waardigheid? Bestaat er zoiets als een onaantastbaarheidvan de hersenen of het geheugen als onderzoeksobject? Of een recht op de afscherming van niet geopenbaardeherinneringen? Tijdens een verhoor wordt getracht informatie uit dezelfde bron te halen, maar zonder direct onderzoek te doen naar de hersenen. Bij de GKT wordt direct onderzoek gedaan naar latente herinneringen en voor de beoordeling ga ik uit van het afnemen van de GKT onder dwang bij een weigerende verdachte omdat dit de meest grove inbreuk oplevert.
Bublitz en Merkel beargumenteren dat de geest eigenlijk pas sinds enkele jaren door derden kan worden onderzocht en gemanipuleerd en dat daarom bij de totstandkoming van de verschillende mensenrechten niet is gedacht aan een recht op mental self-determination als afzonderlijk recht.1 Al hoewel het pleidooi voor het ontwikkelen van een dergelijk recht voornamelijk is gebaseerd op de mogelijkheid om de mentale toestand te manipuleren, bijvoorbeeld door brainwashing, indoctrinatie en conditionering, levert het interessante aanknopingspunten op om de GKT aan te toetsen. Het recht op mentale zelfdeterminatie wordt verbonden aan het zijn van een rechtssubject. Het is volgens Bublitz en Merkel moeilijk een rechtssubject voor te stellen, zonder dat het subject een zelfbewust en rationeel wezen is. ‘A legal subject is the aggregate of its mental faculties.’2 Het recht op mentale zelfdeterminatie stopt echter niet bij de som van cognitieve vaardigheden. Het bevat ook vrijheid van gedachte en bewustzijn. Het forum internum verdient volgens de auteurs absolute bescherming. Een vergelijking die de auteurs niet maken maar zich wel opdringt, is met de samenleving en de mogelijkheden van de autoriteiten in Orwells 1984. Daarin zijn de rechtssubjecten – als überhaupt van rechtssubjecten kan worden gesproken –, subjecten waarbij geen mentale vrijheid bestaat. Dit is mijns inziens een beangstigende situatie. Natuurlijk zijn de mogelijkheden die (neuro)geheugendetectie bieden niet zo sterk en veelomvattend als opties die Orwells Big Brother benut. Bij (neuro)geheugendetectie kan alleen het hebben van kennis worden geverifieerd door daarnaar gericht te vragen. Toch heeft de verdachte waarop (neuro)geheugendetectie wordt toegepast geen vrijheid van gedachten (in het zin van vrijwillig oproepen en openbaren van herinneringen) en voor dat (kleine) deel geen mentale zelfdeterminatie. De vraag is of dat genoeg is om te spreken van een schending van het recht op respect voor menselijke waardigheid-als-eer.
De algemene omschrijving van de voorgestelde bescherming is: ‘the mentalself-determination seeks to protect our mental powers from undue influence’.3 De vraag rijst dan of het (onbewust) laten herkennen van details van een strafbaar feit, door de verdachte beelden of woorden te laten waarnemen, een onrechtmatige beïnvloeding van een mentaal vermogen is. Een schending van het recht op mentale zelfdeterminatie vindt plaats als de manipulatie door anderen de persoonlijke voorkeuren, cognitieve capaciteiten of alternatieve gedragsmogelijkheden veranderen of beïnvloeden. Dit lijkt mij bij de GKT slechts heel licht of zelfs niet aan de orde. Wat feitelijk gebeurt, is dat de onderzochte persoon informatie automatisch verwerkt en de hersenen beoordelen zeer snel (binnen 300 milliseconden) of de informatie eerder is waargenomen. Daarna herinnert de persoon de informatie waarschijnlijk ook bewust, als hij die heeft herkend. De informatie heeft namelijk saillantie (Salience), daderkennis is betekenisvol voor de pleger. Het enige dat de verdachte derhalve niet zelf in de hand heeft, is dat de informatie een herinnering oproept. Hiermee worden echter nog niet zijn voorkeuren, capaciteiten of gedragskeuzes aangetast, zoals wel het geval is bij indoctrinatie. Mocht een verbod op het laten herinneren van informatie onder de bescherming van het recht op mentale zelfdeterminatie vallen, dan zouden wij in een compleet stimulusvrije maatschappij moeten leven. Gebouwen waar mensen vaak komen of langsrijden roepen herinneringen op. Mutatis mutandis geldt dat voor producten, smaken en geuren. Het door Bublitz en Merkel voorgestelde recht op mentale zelfdeterminatie is en kan niet zijn bedoeld voor bescherming tegen priming (het snel herkennen van eerder waargenomen informatie) 4 Kort gezegd, er kan geen absolute ‘onaantastbaarheid’ van de hersenen bestaan (waaronder ook de beïnvloeding van gedachten valt) en ook het enkele laten herinneren van bepaalde feiten kan niet in algemene zin ongerechtvaardigd zijn.
Het is mijns inziens dus ook niet de bron van informatie, een onaantastbaarheid van mentale vermogens, die problemen oplevert in de zin van het recht op respect voor menselijke waardigheid. Ik meen dat zelfs het tegenovergestelde, namelijk dat het bij een menswaardige bestaan hoort dat mijn mentale vermogens in enige zin worden aangetast, correct is. Zonder stimuli – het ruiken van voedsel, het aanraken van geliefde, het ophalen van herinneringen met vrienden, het delen van bijzondere momenten et cetera – verliest het leven vrijwel al het moois dat het te bieden heeft. Als ‘ik’ ‘opgesloten’ zou zitten in mijn schedel en mijn hersenen niet kunnen worden geprikkeld, dan lijkt mij dat een leven zonder zelfrespect.