Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.3.3.3
II.6.3.3.3 Intrekking van de APK-keuringserkenning
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378944:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 87 WVW 1994. Het betreft een erkenning voor het afgeven van keuringsrapporten voor motorrijtuigen en aanhangwagens (vgl. art. 83 lid 1 WVW 1994).
Zie onder meer ABRvS 4 juli 1996, JB 1996/172 m.nt. Van der Linden en RAwb 1996/110 m.nt. De Waard (Huisman APK), ABRvS 2 mei 2000, AB 2000/267 m.nt. Schreuder Vlasblom, ABRvS 15 februari 2001, JB 2001/88 m.nt. Albers en AB 2001/194 m.nt. Schueler.
Ten aanzien van de intrekking van de bevoegdheid om motorrijtuigen en aanhangwagens aan een keuring te onderwerpen (artt. 87a jo 85a WVW 1994) oordeelt de Afdeling dat sprake is van een herstelsanctie. De intrekking is het gevolg van overschrijding van het aantal toelaatbaar geachte fouten, waaruit het vermoeden voortvloeit dat betrokkene niet (langer) beschikt over de nodige kennis. Door het met goed gevolg afleggen van een toets kan de keuringsbevoegdheid weer worden verkregen. De intrekking strekt dus slechts tot kwaliteitsbewaking. Vgl. ABRvS 20 juli 2005, JB 2005/267 m.nt. Albers en ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4238.
ABRvS 2 november 2005, JB 2006/11 m.nt. Albers, AB 2006/20 m.nt. Michiels en Gst. 2006/196 m.nt. Albers onder nrs. 194/195.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 18 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3187 en ABRvS 3 februari 2010, JB 2010/67. Daar komt nog bij dat men bij maatregelen in het kader van bestuurlijk toezicht vooral denkt aan vernietiging en schorsing. Zie Michiels en De Waard 2007, p. 34.
ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:637, ABRvS 4 november 2009, JB 2009/272 m.nt. Albers en ABRvS 17 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:KB4289. In laatstgenoemde uitspraak oordeelt de Afdeling: ‘Voor zover [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de hun opgelegde sancties moeten worden aangemerkt als “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, faalt dit betoog. Daartoe wordt overwogen dat de opgelegde sancties niet punitief van aard zijn.’
ABRvS 4 november 2009, JB 2009/272 m.nt. Albers r.o. 2.2.
Zie ook ABRvS 30 januari 2008, JB 2008/59 m.nt. Albers en AB 2008/57 m.nt. Jansen, waarin ook de intrekking van een APK-keuringserkenning centraal staat. De Afdeling toetst terughoudend of de RDW van de intrekkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Nu bestraffende sancties normaliter vol worden getoetst, lijkt de marginale toetsing erop te duiden dat de Afdeling van mening is dat geen sprake is van een bestraffende sanctie. Vervolgens voorziet de Afdeling echter zelf in de zaak op grond van artikel 8:72 lid 4 Awb. Normaliter geschiedt dit niet wanneer het een herstelsanctie betreft.
Ook buiten het terrein van artikel 34 EVRM kan het publieke karakter van een instelling of handeling in de weg staan aan toepassing van de waarborgen van het verdrag. Zie bijvoorbeeld EHRM 16 juni 2002, NJCM-Bulletin 2003, p. 785 e.v. m.nt. Verheij (Woonbron Volkshuisvestingsgroep e.a. t. Nederland). Het betrof een wijziging in de financiering van sociale woningbouw op basis van de Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting. De vraag was of sprake was van een geschil inzake civil rights and obligations in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM. Het Hof oordeelde dat dit niet het geval was, nu de werkzaamheden in de sociale woningbouw aangemerkt werden als werkzaamheden in het algemeen belang, ondanks dat ze werden uitgevoerd door rechtspersonen naar civiel recht. Dit kan niet worden vergeleken met een individu wiens situatie wordt aangetast door wijziging van subsidiewetgeving. Daarbij is het opzetten of wijzigen van een subsidiestelsel ter (financiële) ondersteuning van sociale woningbouw een typisch overheidsrecht. Er kan dan ook geen sprake zijn van de aantasting van civil rights and obligations in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.
Er is dus sprake van een b-orgaan in de zin van de Awb.
JB 2006/11.
Voorts stelt Albers, mijns inziens terecht, dat de intrekking ook gevolgen heeft voor de normale bedrijfsvoering van de garagehouder. Zij stelt terecht de vraag of daarom niet kan worden gesproken van leedtoevoeging. Zie Albers 2014, p. 53.
Over de intrekking van de APK-keuringserkenning1 bestaat een grote hoeveelheid jurisprudentie. Interessant aan deze jurisprudentie is dat de Afdeling bestuursrechtspraak in de loop van de tijd de intrekking anders is gaan kwalificeren. Zij heeft als het ware een omslag gemaakt. Voor november 2005 merkte de Afdeling de intrekking van de APK-keuringserkenning aan als een bestraffende sanctie, nu deze naar haar oordeel werd opgelegd ter bevordering van het naleven van rechtsnormen door middel van toevoeging van extra leed, ter afschrikking .2,3
Eind 2005 is de Afdeling omgegaan. In een uitspraak van 2 november 2005 oordeelde zij, met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat het blijvend of tijdelijk ontnemen van de bevoegdheid tot het afgeven van keuringsbesluiten in het belang van de verkeersveiligheid is. Met de intrekking wordt geen leedtoevoeging beoogd. De Afdeling overweegt:
‘Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Afdeling thans van oordeel dat het met tijdelijke of blijvende intrekking van de erkenning optreden tegen tekortkomingen bij het verrichten van de periodieke keuringen van voertuigen, een vorm van bestuurlijk toezicht is waarmede is beoogd zoveel mogelijk tegengaan van die tekortkomingen in het algemeen belang van de verkeersveiligheid, niet het met leedtoevoeging voorkomen van verwijtbare tekortkomingen en dat deze maatregelen derhalve niet van punitieve aard zijn. Aldus komt de Afdeling terug van eerdere, andersluidende rechtspraak.’4
Bij deze overweging kan een aantal kanttekeningen worden geplaatst. De erkenning werd in casu ingetrokken, omdat de erkenninghouder binnen een tijdsbestek van 12 maanden diverse malen (vrij forse) overtredingen had begaan. Hoewel van de intrekking van de erkenning kan worden gezegd dat deze het belang van de verkeersveiligheid dient, zou een definitieve intrekking meer voor de hand liggen wanneer wordt beoogd herstel te realiseren. Dan is de (voormalig) erkenninghouder in het geheel niet meer bevoegd om keuringsrapporten af te geven.
De vraag is of de Afdeling, nu wordt gesproken van een bestuurlijke maatregel, van oordeel is dat in het geheel geen sprake is van een sanctie. Ik betwijfel dat. Zoals ook hiervoor reeds aangegeven lijkt het soms alsof in de jurisprudentie de termen maatregel en sanctie nogal eens door elkaar worden gebruikt.5 Bovendien spreekt de Afdeling in latere jurisprudentie in het kader van de intrekking van APK-keuringserkenningen weer wel expliciet over een sanctie.6 Een en ander maakt het moeilijk om uit het gebruik van een bepaalde terminologie algemene conclusies te trekken. Met Albers vind ik het wel opvallend dat de Afdeling uitdrukkelijk aandacht besteed aan de verwijtbaarheid. De Afdeling overweegt dat naar aanleiding van schending van de medewerkingsverplichting tot intrekking mag worden overgegaan, tenzij de erkenninghouder ter zake niets valt te verwijten.7 Dit lijkt toch meer opeen redenering die ten aanzien van een bestraffende sancties wordt gehanteerd. Hoewel het mogelijk is dat op een verwijtbare overtreding met een herstelsanctie wordt gereageerd, is verwijtbaarheid daarbij, in tegenstelling tot bij bestraffende sancties, niet vereist voor het kunnen opleggen van de sanctie.8
Opvallend aan de uitspraak van 2 november 2005 is voorts dat de Afdeling nadrukkelijk ingaat op de publieke taak van de erkenninghouder. De Afdeling overweegt:
‘Appellant is niet tegengeworpen de overtreding van normen die aan allen of aan bepaalde groepen zijn gesteld ter voorkoming van onaanvaardbare aantasting van het algemeen belang en van de rechten en belangen van anderen. Door het vragen om en aanvaarden van erkenning als keuringsinstantie heeft appellant een publieke taak op zich genomen ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid die hem ook met het oog daarop is toegekend. […] Daarom heeft appellant met de aanvaarding van voormelde publieke taak een risico genomen van verlies van de keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen beperkt is.’
De Afdeling lijkt te suggereren dat, nu de normen die de erkenninghouder heeft overtreden zich niet richten tot een ieder, er geen sprake is van een criminal charge. Er wordt dus niet voldaan aan het nog te behandelen (en door het EHRM gehanteerde) normadressaat-criterium, welk criterium kort gezegd inhoudt dat wanneer een norm zich richt tot alle burgers, dit een indicatie vormt voor de strafrechtelijke aard van de overtreding. Met het beroep op de publieke taak van de erkenninghouder kan, hoewel de Afdeling dit niet expliciet noemt, ook worden gedacht aan artikel 34 EVRM, welk artikel inhoudt dat de bepalingen van het EVRM niet door governmental organisations kunnen worden ingeroepen.9 Nu de erkenninghouder een publieke taak uitoefent, en daartoe zelfs een specifieke bevoegdheid heeft,10 kan hij volgens de Afdeling kennelijk worden aangemerkt als overheidslichaam met als gevolg dat de waarborgen van het verdrag, meer in het bijzonder art. 6 EVRM, niet kunnen worden ingeroepen. Met Albers11 meen ik, dat het feit dat een overheidslichamen geen beroep kunnen doen op de in het EVRM neergelegde waarborgen, niet betekent dat een intrekking niet bestraffend van aard is.12
Bovenstaande jurisprudentie laat zien dat ook de Afdeling kennelijk worstelt met de vraag of de intrekking van een beschikking een herstelsanctie of een bestraffende sanctie is. Hoewel zij er enerzijds vanuit lijkt te gaan dat de intrekking geen bestraffende sanctie is, wordt toch aandacht besteed aan de verwijtbaarheid van de erkenninghouder en wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Ook lijkt de koers die de Afdeling vaart na de omslag in 2005 niet bestendig.