Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.4.1
4.4.1 Vereenvoudiging van bedrijfsoverdrachten
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS416984:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een Zesde richtlijn van de Raad van 29 juni 1973, COM 73/950, V-N 1973, nr. 18A, blz. 753 e.v.
Zie bijvoorbeeld de preambule van Richtlijn 2009/133/EG, Pb EU 2009 L310 (Fusierichtlijn) en Kamerstukken II 1967/68, 9324, 10, blz. 18.
A-G Jacobs, conclusie bij HvJ EG 27 november 2003, nr. C-497/01, V-N 2003/61.18, punt 28 (Zita Modes).
Op dit civielrechtelijk specialiteits- en publiciteitsbeginsel vormt de juridische fusie een uitzondering. Zie hoofdstuk 7 in dit verband.
Over de subjectieve maatstaf van heffing: HvJ EG 25 mei 1993, nr. C-18/91, V-N 1995/3113 (Bally), HvJ EG 24 oktober 1996, nr. C-288/94, V-N 1996/4569 (Argos Distributors) en HvJ EU 9 december 2011, nr. C-069/11, NTFR 2012/1100 (Connoisseur Belgium).
Dat belastingplichtigen hierin een zekere vrijheid hebben blijkt onder meer uit Hof Arnhem 2 januari 2003, nr. 00/01357, NTFR 2003/566.
Zie ook A.J. van Doesum, ‘BTW bij inbreng in personenvennootschappen?’, TFO 2005/12.
Zoals hiervoor reeds aangehaald, is in de toelichting bij een Voorstel voor de Zesde BTW-Richtlijn over de bepaling het volgende opgenomen:
“Daar de inbreng in vennootschappen als een belastbare levering onder bezwarende titel kan worden aangemerkt en bepaalde overdrachten om niet met belastbare leveringen gelijkgesteld te worden, kunnen de Lid-Staten ter wille van de eenvoud en om de financiële positie van de inbrengende of schenkende bedrijf niet te zwaar te belasten, afzien van de belastingheffing. Van deze bevoegdheid zal met name gebruik worden gemaakt, indien de vennootschap waarin de inbreng of waaraan de schenking is gedaan, de desbetreffende goederen zal gebruiken voor een belastbare bedrijvigheid.”1
Uit deze toelichting komen twee doelstellingen naar voren. Het eerste doel is eenvoud. In dit verband valt op te merken dat het in algemene zin vanuit politiek-economisch perspectief doorgaans als bezwaarlijk wordt gezien wanneer fiscale beletselen in de weg staan aan het overdragen van een onderneming. 2 In die zin is dit een logische doelstelling.
Daarbij kan evenwel de vraag worden gesteld of het berekenen en op aangifte voldoen van btw over een bedrijfsoverdracht doorgaans als bovenmatig complex zal worden ervaren, met name gezien het feit dat in veel gevallen sprake zal zijn van een belast presterende belastingplichtige. A-G Jacobs wijst in het kader van de doelstelling van de richtlijngever om bedrijfsoverdrachten te vereenvoudigen op het feit dat het achterwege laten van heffing bij de overdracht van een bundeling van zaken tot voordeel heeft dat geen problemen kunnen ontstaan met betrekking tot de waardering van de over te dragen zaken, met name wanneer niet alle zaken onder hetzelfde btw-tarief zouden kunnen worden gerangschikt.3 Hoewel erkend moet worden dat daarin inderdaad een vereenvoudiging schuilt, komt de beschreven problematiek mij als bepaald overkomelijk voor, zeker indien men bedenkt dat civielrechtelijk in beginsel afzonderlijke leveringshandelingen moeten worden verricht voor de verschillende zaken die worden overgedragen.4 Daarenboven lijkt de waarderingskwestie voor de btw, gezien de subjectieve maatstaf van heffing, niet erg complex.5 Hooguit kan hiervan slim gebruik worden gemaakt door vrijgestelde (of tegen het lage tarief belaste) elementen hoog te waarderen en tegen het standaardtarief belaste elementen laag.6
Daartegenover is het niet steeds eenvoudig te bepalen of de geruisloze overgang toepassing vindt. Als gevolg hiervan loopt de overdragende partij het risico dat op een later moment blijkt dat hij ten onrechte btw heeft berekend onder de aanname dat geen sprake was van een algemeenheid van goederen. Anderzijds bestaat het risico dat onterecht geen btw wordt berekend onder de onjuiste aanname dat wel sprake was van een geruisloze overgang. Ook in grensoverschrijdende situaties kan toepassing tot complexe problematiek leiden. Dat bij de vraag of sprake is van de overgang van een algemeenheid van goederen bovendien rekening moet worden gehouden met de intenties van de verkrijger in het licht van het voortzettingsvereiste, maakt dat toepassing van de regeling bezwaarlijk in alle opzichten als een vereenvoudiging kan worden gezien.
Met het oog op de hiervoor omschreven functie van het niet-leveringsbeginsel als reikwijdtebepaling, ziet de vereenvoudiging wellicht mede op het feit dat niet bepaald hoeft te worden in hoeverre bepaalde handelingen op zichzelf tot (fictieve) belastingheffing zouden leiden.7