Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.7.3.1
3.7.3.1 Verontschuldigbare rechtsdwaling
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567439:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 februari 1916, NJ 1916, p. 681 (Melk en water).
HR 22 november 1949, NJ 1950/180 (Motorpapieren).
De Hullu 2015, p. 368.
Toch werd het pleitbare standpunt in de fiscale literatuur rond de jaren ‘80 van de vorige eeuw als een vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling beschouwd. Zie Scheltens, p. 522; J.A. Smit, ‘De gemeente als ‘verhoogde’ ondernemer bij naheffing van omzetbelasting’, WFR 1985/5677, p. 445-450; N.J. Schutte, ‘Dwaling, schuld en boete’, WFR 1985/5704, p. 1471-1478.
Anders: D. van Omme, ‘Pleitbaar of onjuist?’, Advocatenblad 7/2012-7, p. 13. Ook De Hullu lijkt in De Hullu 2015, p. 367, ervan uit te gaan dat het pleitbare standpunt een vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling is.
Voorts is theoretisch een beroep op rechtsdwaling mogelijk ten aanzien van het geobjectiveerde gevolgbestanddeel van art. 69 lid 2 AWR. Zie A.L. Melai in zijn noot onder NJ 1982/647, onder 2. Hierbij kan worden gedacht aan de (uitzonderlijke) situatie waarin een belastingplichtige (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan, maar er op goede gronden van overtuigd was, bijvoorbeeld door een mededeling van de inspecteur, dat deze onjuiste aangifte niet tot een onjuiste belastingheffing zou kunnen leiden.
De Hullu 2015, p. 361-362.
HR 23 mei 1995, NJ 1995/631, r.o. 4.4; HR 9 maart 2004, NJ 2004/675, ECLI:NL:HR:2004: AO1490, r.o. 3.5.
De Hullu 2015, p. 87 en 366-367. A-G Jörg, conclusie van 23 december 2003, ECLI:NL: PHR:2004:AO1490, r.o. 8: “Voor verontschuldigbare dwaling is niet voldoende dat men in zijn algemeenheid in redelijkheid kan bepleiten dat een wettelijk voorschrift niet van toepassing is (…). Wie de grenzen van de wet opzoekt kan voor de overschrijding van de grens de rekening gepresenteerd krijgen, wanneer die net even anders blijkt te liggen.”.
HR 26 januari 1971, NJ 1971/322; De Hullu 2015, p. 366-367: “En twijfel hebben over of het bewust aftasten van grenzen van omstreden wetgeving is niet genoeg voor verontschuldigbare rechtsdwaling.”.
De Hullu 2015, p. 366-368.
HR 13 december 1960, NJ 1961/416; HR 4 april 2006, NJ 2007/144, ECLI:NL:HR:2006:AU4664, r.o. 6.3; HR 26 februari 2008, NJ 2008/148, ECLI:NL:HR:2008:BC0813, r.o. 4.7.
De Bont 2002, p. 8-9.
Verontschuldigbare dwaling wordt in het strafrecht onderscheiden in dwaling omtrent de feiten1 waarbij de verdachte heeft gehandeld vanuit een verkeerde feitelijke voorstelling van zaken en rechtsdwaling2 waarbij de verdachte heeft gehandeld vanuit de veronderstelling dat zijn gedraging geoorloofd was. De dwaling moet daarbij uiteraard wel zien op relevante feiten of op interpretatie of toepassing van het relevante recht. De overtuiging van een verdachte belastingplichtige dat hij een juiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan is bijvoorbeeld niet relevant voor de beoordeling of hij heeft gedwaald over de wettelijke eisen die worden gesteld aan de administratie van de besloten vennootschap waarvan hij directeur grootaandeelhouder is. Voorts moet de verdachte hebben gedwaald ten tijde van het begaan van het strafbaar gestelde feit.3
Van een pleitbaar standpunt kan, zoals in hoofdstuk 2 in paragraaf 2.4.1 is uiteengezet, uitsluitend worden gesproken bij onduidelijkheid bij de interpretatie of toepassing van het recht. Onzekerheden over de feiten of het bewijs daarvan kunnen niet leiden tot een pleitbaar standpunt. Hierna wordt daarom uitsluitend nader op verontschuldigbare rechtsdwaling ingegaan.
Zoals hiervoor opgemerkt komt de rechter bij de straf- en vergrijpboetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte aan toepassing van verontschuldigbare rechtsdwaling als strafuitsluitingsgrond niet toe, omdat dit beroep steeds in de vaststelling van zowel grove schuld als opzet opgaat. Omdat de schulduitsluitingsgrond verontschuldigbare rechtsdwaling bij de straf- en vergrijpboetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte geen toegevoegde waarde heeft, heeft het bij deze straf- en boetebepalingen ook geen zin het pleitbaar standpunt verweer als een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling aan te merken.45
Bij de verzuimboetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte, art. 67b lid 2 AWR en art. 67c AWR, is toepassing van verontschuldigbare rechtsdwaling als schulduitsluitingsgrond wel mogelijk.6 Hetgeen hierna in verband met verontschuldigbare rechtsdwaling wordt besproken is daarom voor deze boetebepalingen van belang.
In verband met de toepassing van afwezigheid van alle schuld kan volgens de theorie in het strafrecht een feitelijk en een normatief vereiste worden onderscheiden.7
Bij rechtsdwaling houdt het feitelijke vereiste in dat de verdachte in de overtuiging moet hebben verkeerd dat zijn gedraging was geoorloofd.8 Twijfel is in het strafrecht reeds voldoende om rechtsdwaling in de weg te staan. Twijfel behoort er namelijk toe te leiden dat de verdachte zich van het mogelijk strafbaar gestelde feit onthoudt. Dit geldt des te meer voor het bewust opzoeken van de grenzen van de wet.9
Op grond van dit feitelijke vereiste kan het verweer van een belastingplichtige dat hij bewust is uitgegaan van een interpretatie of toepassing van het belastingrecht die pleitbaar maar mogelijk onjuist is, zowel in het fiscale straf als in het fiscale boeterecht reeds niet meer tot rechtsdwaling leiden.10
Het normatieve vereiste ziet op de verontschuldigbaarheid van de dwaling. Als de verdachte zich er niet van bewust was dat zijn gedraging ongeoorloofd was, kan nog niet zonder meer worden gesproken van afwezigheid van alle schuld. De verdachte moet ook een inspanning hebben verricht die, gegeven de omstandigheden, redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om te voorkomen dat hij zou dwalen.11 Om die reden kan dwaling die is veroorzaakt door onjuiste informatie of advisering verontschuldigbaar zijn. Daarbij geldt bovendien als voorwaarde dat de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of een instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat hij in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.12
Ook een belastingplichtige die een pleitbaar standpunt in zijn aangifte heeft verwerkt in de veronderstelling dat dat standpunt gewoonweg juist was, zal derhalve zowel in het fiscale straf- als in het fiscale boeterecht niet zonder meer een succesvol beroep op rechtsdwaling kunnen doen.
Op grond van het bovenstaande kan een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling uitsluitend worden gehonoreerd als de belastingplichtige onbedoeld slechts een pleitbaar standpunt in zijn aangifte heeft verwerkt, terwijl hij ten tijde van het doen van de aangifte op goede gronden in de overtuiging verkeerde dat zijn standpunt gewoonweg juist was. De omstandigheid dat het standpunt pleitbaar is, is hierbij niet van belang.13
Hetzelfde geldt naar mijn mening voor de straf- en boetebepalingen die verband houden met het nalaten om aangifte te doen, zowel met als zonder subjectief bestanddeel. Ook bij deze straf- en boetebepalingen kan een belastingplichtige uitsluitend een succesvol beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling doen als hij er op goede gronden van overtuigd is geweest dat hij, ondanks de uitnodiging daartoe, geen aangifte hoefde te doen.