Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/5.5.2
5.5.2 De klassieke theorieën: orgaanleer en fictieleer
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS593827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Houwing onderscheidt er acht in zijn dissertatie; zie Houwing 1939, p. 64-66.
Zie Houwing 1939, p. 68.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/80. Anders: Houwing 1939, p. 61, voetnoot 4, die stelt dat dit een verkeerde lezing is van de opvatting van Von Savigny.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/80 en Houwing 1939, p. 61.
Klassiek voorbeeld is de bestuurder van een rechtspersoon die tijdens werktijd een verkeersongeluk veroorzaakt: geldt dit als onrechtmatige daad van de rechtspersoon? Zie Kroeze 2013, p. 145.
De Valk 2009, p. 48.
Daarover meer in par. 5.5.4.
110. De rechtspersoon kan niet anders handelen dan via natuurlijke personen, maar is niet identiek aan die natuurlijke personen. Dat doet de (rechtsfilosofische, metafysische) vraag rijzen naar het wezen van de rechtspersoon: moet hij worden gezien als een realiteit of een fictie? De opvatting omtrent het wezen van de rechtspersoon bepaalt mede hoe men het verband legt tussen de handelingen van de natuurlijke persoon en die van de rechtspersoon. In de 19e en 20e eeuw zijn hieromtrent veel theorieën ontwikkeld,1 maar de hoofdstromingen worden gevormd door fictieleer en orgaanleer.
111. De fictieleer is afkomstig van Von Savigny. Hij zag de rechtspersoon als een fictie die niet zelf kan handelen en daarom vertegenwoordigers nodig heeft, net als bijvoorbeeld handelingsonbekwamen. De grondslag voor het toerekenen van handelingen aan de rechtspersoon is bij Von Savigny dus vertegenwoordiging; het bestuur vertegenwoordigt de rechtspersoon.2 Voor rechtshandelingen en rechtmatige handelingen levert deze theorie geen probleem op, maar wel voor onrechtmatige daden. Voor het plegen van een onrechtmatige daad is schuld nodig, maar een fictie heeft geen wil en kan geen schuld hebben.3 Bovendien kan niet worden verondersteld dat een vertegenwoordiger bevoegd is tot het plegen van een onrechtmatige daad.4
112. De orgaanleer is gemunt door een andere 19e-eeuwse Duitse rechtsgeleerde, Otto von Gierke. Voor hem en zijn ‘aanhangers’ geldt de rechtspersoon als realiteit. Wanneer een orgaan namens de rechtspersoon handelt, handelt niet een vertegenwoordiger, maar de rechtspersoon zélf. Er vindt een bijna absolute toerekening plaats van de handelingen van de natuurlijke persoon aan de rechtspersoon. Die vindt uiteraard wel haar grens in de hoedanigheid waarin de natuurlijke persoon handelt: wanneer hij niet handelt als orgaan (denk aan de bestuurder die de minnaar van zijn echtgenote een klap verkoopt), geldt de handeling niet als handeling van de rechtspersoon. Hier kunnen zich wel afbakeningsproblemen voordoen.5 Problematisch aan de orgaanleer is dat deze (althans in zijn zuiverste vorm) de aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon náást de rechtspersoon uitsluit: het was immers niet het individu dat namens de rechtspersoon handelde, maar direct de rechtspersoon zelf.6 Daarnaast heeft altijd veel discussie bestaan over welke functionarissen en gremia kwalificeren als orgaan.7