Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.3.3.6
6.3.3.6 Het wettelijk pandrecht ex art. 3:259 BW
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS385306:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoerige beschrijving van het pandrecht van certificaathouders onder het oude recht, welke beschrijving ook na invoering van de flex-BV relevant is, zie Van den Ingh 1991, p. 180-191 en Hamers 1996, p. 69-94. Zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 667 en 668.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 83 (MvT). Zie ook: Kamerstukken II 2009/10, 32 426, nr. 3, p. 6-7 (MvT) en Kamerstukken II 2010/11, 32 426, nr. 7, p. 7-8 (NV II).
In de Tweede Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 23, p. 2. Zie ook Gewijzigd voorstel van wet, Kamerstukken I 2011/12, 32 426, nr. A, p. 16), waarin wordt gesproken over een wijziging van art. 3:259 lid 3 BW. Dat moet op een verschrijving berusten en moet zijn art. 3:259 lid 2 BW.
Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 23, p. 3 (Tweede Nota van Wijziging).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 82 (MvT).
Vgl. Schwarz 2012 (2), p. 216 in het kader van het overgangsrecht voor certificaathouders. Schwarz komt tot de conclusie dat de bevoegdheid tot erkenning van vergadergerechtigdheid van – onder het oude recht – houders van bewilligde certificaten naar – onder het nieuwe recht – houders van certificaten met vergaderrecht slechts aan de algemene vergadering toekomt.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 83 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 32 426, nr. 23, p. 3 (Tweede Nota van Wijziging).
Op grond van art. 3:259 BW hebben de houders van certificaten met vergaderrecht een gezamenlijk, wettelijk pandrecht op de aandelen.1Art. 3:259 lid 2 BW bepaalt onder meer dat indien de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen op naam zijn gesteld en de certificaten zijn uitgegeven met medewerking van de uitgever van de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen of er bij de statuten vergaderrechtverbonden is aan de certificaten van aandelen (onderstreping RAW), de certificaathouders tevens gezamenlijk een pandrecht op die aandelen of schuldvorderingen verkrijgen. Zijn de certificaten uitgegeven voor schuldvorderingen op naam zonder medewerking van de schuldenaar, dan verkrijgen de certificaathouders een zodanig pandrecht door mededeling van de uitgifte aan de schuldenaar. Art. 3:259 lid 3 BW geeft vervolgens een regeling op welke wijze dit pandrecht in voorkomend geval kan worden uitgeoefend. Kort gezegd, geeft het pandrecht ex art. 3:259 BW de houders van certificaten met vergaderrecht de bevoegdheid om bij niet-uitbetaling van de uitkeringen de aandelen overeenkomstig art. 3:259 lid 3 BW te doen verkopen en zich uit de opbrengst te voldoen. In een eerder stadium van de parlementaire behandeling van de wet overwoog de wetgever dat art. 3:259 BW een algemene regeling bevat die tevens ziet op certificaten van aandelen in een NV en op certificaten van schuldvorderingen en was de formulering van deze bepaling niet aangepast. Art. 2:227 BW heeft tot gevolg dat bij de toepassing van art. 3:259 BW ten aanzien van certificaten van aandelen in een BV slechts medewerking van de uitgever van de oorspronkelijke aandelen aangenomen kan worden, indien er sprake is van certificaten waaraan vergaderrecht in de zin van art. 2:227 BW is verbonden, aldus de wetgever.2 Later is de wetgever op het ongewijzigd laten van art. 3:259 BW teruggekomen en is aan de eerste volzin van lid 2 van art. 3:259 BW toegevoegd “of is er bij de statuten vergaderrecht verbonden aan de certificaten vanaandelen”.3 Reden voor deze toevoeging is dat in het BV-recht niet meer de bewilliging door de vennootschap van de uitgifte van de certificaten relevant is, maar het feit of de statuten vergaderrecht aan certificaten van aandelen toekennen.4 Ook hier speelt de problematiek van het overgangsrecht en de certificaathouder, zoals geschetst in paragraaf 4.4.6, een rol.
De vraag is of er met betrekking tot het wettelijk pandrecht een onderscheid moet worden gemaakt tussen certificaten waarbij het vergaderrecht bij de statuten is toegekend en certificaten waarbij het vergaderrecht door een orgaan is toegekend. Anders gezegd: de certificaten met vergaderrecht op grond van de eerste volzin van art. 2:227 lid 2 BW en op grond van de laatste volzin van art. 2:227 lid 2 BW. Naar mijn mening moet een dergelijk onderscheid niet worden gemaakt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever bedoeld heeft een dergelijk onderscheid te maken. Ik citeer: “Uitgangspunt van de voorgestelde regeling isdat de vennootschap zelf bepaalt of er certificaten met vergaderrecht wordentoegelaten en zo ja, aan welke certificaten dat vergaderrecht toekomt. Het zijn dus in beginsel de aandeelhouders die bepalen in hoeverre de besluitvorming in dealgemene vergadering open staat voor anderen. (onderstreping RAW)”.5 De woorden ‘in beginsel de aandeelhouders’ zien, mijns inziens, ten eerste op de eerste volzin van art. 2:227 lid 2 BW. De aandeelhouders gaan over de statuten en zij kunnen dus bij statuten vergaderrecht aan certificaten verbinden.6 Ten tweede zien die woorden, zo komt mij voor, ook op de laatste volzin van art. 2:227 lid 2 BW, namelijk dat een ander orgaan dan de algemene vergadering kan besluiten aan certificaten vergaderrecht te verbinden. Voor de hand ligt dat dit andere orgaan het bestuur van de vennootschap is. Die regeling behoeft een statutaire grondslag, waarvan het primaat bij de algemene vergadering ligt. Heeft de algemene vergadering tot een dergelijke statutaire regeling besloten, dan is feitelijk sprake van een delegatie van bevoegdheid. Waar de algemene vergadering op grond van de eerste volzin van art. 2:227 lid 2 BW kan besluiten de statuten zodanig in te richten dat aan certificaten vergaderrecht toekomt, besluit zij op grond van de laatste volzin van art. 2:227 lid 2 BW dat aan certificaten vergaderrecht kan worden toegekend, doch of, en zo ja wanneer, dat feitelijk – vanwege de delegatie van bevoegdheid – zal plaatsvinden, is afhankelijk van een ander orgaan. Dat orgaan is bovendien door de algemene vergadering in een statutaire regeling aangewezen.
Daarnaast volgt uit dit citaat uit de memorie van toelichting dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste of laatste volzin van een art. 2:227 lid 2 BW situatie. De wetgever noemt slechts art. 2:227 BW als geheel: “De nieuwe regelingin artikel 227 heeft tot gevolg dat men bij de toepassing van artikel 3:259 BW tenaanzien van certificaten van aandelen in een bv slechts medewerking van deuitgever van de oorspronkelijke aandelen zal kunnen aannemen, indien er sprakeis van certificaten waaraan vergaderrecht in de zin van artikel 227 is verbonden.”7
Een andere vraag is of het ontnemen van het vergaderrecht aan de certificaten door een daartoe in de statuten aangewezen orgaan het wettelijk pandrecht doet vervallen. Mijns inziens luidt het antwoord op die vraag positief, gelijk het verbinden van het vergaderrecht aan het certificaat het wettelijk pandrecht doet ontstaan.
Het voorgaande vergt zorgvuldigheid in de vastlegging van de besluitvorming. Indien het bestuur op grond van een statutaire regeling als orgaan vergaderrecht aan certificaten mag toekennen en ontnemen, dan is het ter zake van de vastlegging van dat besluit gebonden aan het bepaalde in art. 2:230 lid 4 BW. Indien dat orgaan de vergadering van stemrechtloze aandeelhouders is, geldt die gebondenheid aan art. 2:230 lid 4 BW niet. Ik verwijs naar paragraaf 4.2.8. Ook het bijhouden van het aandeelhoudersregister zal in dit geval extra aandacht vergen. Op grond van art. 2:194 BW rust die verplichting op het bestuur van de vennootschap. Ik verwijs naar paragraaf 4.11. Indien het bestuur op grond van een statutaire regeling als orgaan vergaderrecht aan certificaten mag toekennen en ontnemen, mag worden verwacht dat het bij het besluit tot toekenning ook direct zorg draagt voor inschrijving van de certificaathouder als vergadergerechtigde en dat het bij het besluit tot ontneming die aantekening direct weer voor doorhaling zorg draagt.