De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.8.1:II.8.1 Bevoegdheid tot intrekking
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.8.1
II.8.1 Bevoegdheid tot intrekking
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382544:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Startpunt van het antwoord op de vraag of een beschikking kan worden ingetrokken, betreft de aanwezigheid van een bevoegdheid tot intrekking. In de regel moet daarvoor de bijzondere wet worden geraadpleegd. Daarin zijn veelal gronden opgenomen op basis waarvan een beschikking kan worden ingetrokken. De bijzondere wet bevat intussen niet altijd een regeling inzake intrekking. Dat betekent niet per definitie dat een beschikking niet kan worden ingetrokken. In de jurisprudentie wordt onder omstandigheden het bestaan van een buitenwettelijke bevoegdheid tot intrekking erkend, ook wel aangeduid als een geïmpliceerde bevoegdheid. De bevoegdheid tot intrekking wordt dan geacht besloten te liggen in de bevoegdheid de betreffende beschikking te geven. Soms wordt de geïmpliceerde bevoegdheid gekoppeld aan een bepaalde grond voor intrekking, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een beschikking die is gegeven in strijd met het recht. In andere uitspraken wordt in algemene zin overwogen dat wanneer een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft om een bepaalde beschikking te geven, daarmee de bevoegdheid tot intrekking is gegeven. In de jurisprudentie komt men ook een andere variant van de buitenwettelijke bevoegdheid tot intrekking tegen, te weten de aanvullende ongeschreven bevoegdheid tot intrekking. Het betreft de situatie waarin een beschikking wordt ingetrokken op een andere grond dan de gronden die in de betreffende wettelijke regeling zijn neergelegd. De bestuursrechter is zeer terughoudend met het aannemen van dergelijke aanvullende ongeschreven intrekkingsbevoegdheden. In de regel wordt een wettelijke intrekkingsregeling geacht limitatief te zijn. Intrekking op andere gronden dan die welke in het betreffende wettelijk voorschrift zijn opgenomen, is doorgaans dan ook niet mogelijk. Het feit dat onder omstandigheden sprake is van een buitenwettelijke bevoegdheid tot intrekking, betekent niet dat sprake is van een niet (nader) genormeerde bestuursbevoegdheid. Een belangrijke rol is in dit kader weggelegd voor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast kunnen uit de wettelijke regeling op grond waarvan een bepaalde beschikking is gegeven, beperkingen voortvloeien.
De bevoegdheid tot intrekking kan zowel gebonden als discretionair van aard zijn. Veelal is sprake van een discretionaire intrekkingsbevoegdheid. Het bestuursorgaan dient op grond van art. 3:4 lid 1 Awb alle betrokken belangen af te wegen alvorens over te gaan tot intrekking. In deze belangenafweging komt naast de belangen van de geadresseerde en het algemeen (intrekkings) belang, betekenis toe aan de belangen van eventuele derdebelanghebbenden. Voorts is de aard van de bevoegdheid tot verlening van een bepaalde beschikking van belang. Wanneer de verleningsbevoegdheid een gebonden bevoegdheid is en de betreffende wettelijke regeling zwijgt over de mogelijkheid om die beschikking in te trekken, dan is intrekking veelal slechts toegestaan wanneer de betreffende beschikking in strijd met het recht is gegeven.