Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.3
4.2.3 Het waardemotief
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486711:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
J.Ph. Suijling, Inleiding tot het burgerlijk recht. Deel V, Zakenrecht, Haarlem: Bohn 1940, p. 62.
J.Ph. Suijling, Inleiding tot het burgerlijk recht, Deel V, Zakenrecht, Haarlem: Bohn 1940, p. 63.
J.Ph. Suijling, Inleiding tot het burgerlijk recht. Deel V, Zakenrecht, Haarlem: Bohn 1940, p. 64.
J.Ph. Suijling, Inleiding tot het burgerlijk recht. Deel V, Zakenrecht, Haarlem: Bohn 1940, p. 65.
J.H. Beekhuis, ‘Zaaksbestanddelen naar bestaand en wordend recht’, in: J.H. Beekhuis e.a., Van Opstall-bundel. opstellen aangeboden aan Prof. Mr. S. N. van Opstall, Deventer: Kluwer 1972, p. 14.
Suijling stelt dat het waardemotief ten grondslag ligt aan de classificatie van ‘eenheidszaak’. Hij begint met de uiteenzetting van het onderscheid tussen organische en anorganische verbindingen.1 Organische verbindingen zijn verbindingen met een lichamelijke eenheid, zoals de huid en de poten van een koe of de stam van een boom. Anorganische verbindingen vormen, zo stelt hij “in de oogen van den practischen mensch nu een physieke, dan weer enkel economische eenheden.” Hij stelt dat de organische eenheid bestaat uit ‘onzelfstandige zaaksdeelen’. De als een bloot economische eenheid beschouwde anorganische verbinding bestaat daarentegen volgens hem uit een zelfstandige hoofdzaak, die door eveneens zelfstandige bij- of hulpzaken gediend wordt. Over het motief achter deze anorganische verbinding zegt hij:
“Ondanks de verscheidenheid van de anorganische verbindingen, die de practische mensch tot de lichamelijke eenheidszaken pleegt te brengen, berust hare classificatie als zoodanig steeds op dezelfde grondgedachte. Waarden mogen niet nodeloos worden vernietigd. Als de opheffing van den samenhang der deelen tot verlies van de maatschappij zou voeren, behoort de verbinding onder de lichamelijke eenheidszaken te worden gerangschikt.”2
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk het waardemotief. Vervolgens wordt door hem het waardemotief als grondslag voor de eenheidszaak mijns inziens afgezwakt:
“Over den aard van menig anorganische verbinding heerscht strijd. De oorzaak is niet ver te zoeken. De classificatie van anorganische verbindingen als lichamelijke eenheidszaken berust op een waarderingsoordeel en deze oordelen worden altijd mede door subjectieve inzichten bepaald.”3
(…)
“Of eene tusschen twee zaken aangebrachte mechanische verbinding de eene tot een bijzaak van de andere stempelt, dient met inachtneming van de gangbare maatschappelijke opvatting beoordeeld te worden. Als naar inzicht van het dagelijksch leven de verbonden zaken voortaan een blijvende economische eenheid vormen, heeft men met een hoofdzaak en een bijzaak te doen.”4
Het feit dat de gangbare maatschappelijke opvatting bepaalt of er sprake is van een blijvende economische eenheid, duidt naar mijn mening ook op de rechtszekerheid als motief. Beekhuis vindt de verklaring van Suijling ook niet geheel bevredigend5 en zoekt het motief meer in de gelijkheid van schuldeisers en de hiermee samenhangende rechtszekerheid.