Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/198:198 Aanpassing van het vereiste van art. 3:239 lid 1 BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/198
198 Aanpassing van het vereiste van art. 3:239 lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 20-10-2025
- Datum
20-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD29654:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Anders Faber 2005, p. 274, voetnoot 122. Faber onderbouwt deze stelling niet anders dan door een verwijzing naar de betreffende wetsbepalingen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd moet het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ van art. 3:239 lid 1 BW naar mijn mening ruim worden uitgelegd en heeft dit een ruimere betekenis dan het in dezelfde bewoordingen gestelde vereiste in art. 475 Rv.1 Het is niet zeker dat deze opvatting geldend recht is. Kiest de wetgever er niet voor om de beperking van de mogelijkheid om toekomstige vorderingen stil te verpanden te schrappen (zie hierna paragraaf 8.4), dan is het wenselijk dat hij het verschil in betekenis tussen de beide vereisten in de formulering ervan tot uitdrukking brengt door uit art. 3:239 lid 1 BW het woord ‘rechtstreeks’ te schrappen. Daardoor zou duidelijk worden gemaakt dat een toekomstige vordering voor stille verpanding vatbaar is als er tussen de debiteur en de crediteur een rechtsverhouding bestaat die mede de grondslag voor het ontstaan van de vordering vormt, ongeacht of voor het ontstaan daarvan nog een nadere handeling nodig is.