Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.3.1
4.3.1 Niet-heffing als problematisch fenomeen
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS419383:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie in gelijke zin G.J. van Norden, Het concern in de BTW, Deventer: Kluwer 2007, blz. 27 en A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 35.
Zie M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 20.
Zie in gelijke zin A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de btw, Deventer: Kluwer 2009, blz. 132.
Zie artikel 132 tot en met 135 Btw-richtlijn voor vrijstellingen zonder aftrek en artikel 138 e.v. Btw-richtlijn voor de vrijstellingen met recht op aftrek.
In de Wet OB 1954, die de huidige Wet OB 1968 presideerde, was in artikel 30 opgenomen dat van omzetbelasting is vrijgesteld: “het overdragen van een bedrijf aan degene die dat bedrijf voortzet.” De voorganger van de huidige geruisloze overgang was derhalve wel een vrijstelling. Daarbij moet worden aangetekend dat de Wet OB 1954 uitging van een cumulatief cascadestelsel, als gevolg waarvan het onderscheid tussen een onbelastbare en vrijgestelde handeling minder van belang is.
HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-408/98, V-N 2001/15.26 (Abbey National I).
A-G Van Hilten, conclusie bij HR 26 februari 2010, nr. 08/01236, BNB 2010/223, punt 5.3.3.
Op basis van artikel 1 Btw-richtlijn geldt dat de btw een algemene verbruiksbelasting is die wordt geheven ter zake van goederen en diensten, waarbij de belasting strikt evenredig is aan de prijs van deze goederen en diensten. Zoals in paragraaf 2.4.5 reeds aan de orde kwam, wordt met de btw beoogd particuliere consumptie te belasten, waarbij vanuit het oogpunt van de eenvoud en de doelmatigheid is gekozen voor een indirecte heffing, zodat heffing niet plaatsvindt via directe heffing bij particuliere consumenten.1
Eenieder die zich in enigerlei mate bezighoudt of bekend is met het heffingssysteem van de btw, is zich bewust van de beroemde paradox die aan dit systeem ten grondslag ligt. Degene die denkt te worden vrijgesteld, wordt veelal belast, terwijl degene die denkt te worden belast, doorgaans wordt vrijgesteld.2 Die paradox wordt veroorzaakt doordat de methode van heffing van de btw is gebaseerd op de aftrek van voorbelasting. Belastingplichtigen brengen btw in rekening over de door hen geleverde goederen en verrichte diensten, maar trekken van deze verschuldigde btw af de btw die drukt op de door hen gebruikte goederen en diensten. Hierdoor verloopt de heffing voor belastingplichtigen in beginsel neutraal, terwijl de eindconsument feitelijk de belasting draagt. Kern van deze methode is dat het recht op aftrek van voorbelasting afhankelijk is van het verrichten van prestaties die op zichzelf aan de heffing van btw zijn onderworpen. Wanneer men zich dat realiseert, vergt het weinig inlevingsvermogen om vast te stellen dat het achterwege laten van heffing op bepaalde handelingen in beginsel als een bedreiging voor de fiscale neutraliteit moet worden gezien. Geruisloosheid zal doorgaans tot geruis leiden. Het roept immers vragen op over het recht op aftrek van voorbelasting en de fiscale neutraliteit.
In dit verband is het van belang onderscheid te maken tussen belastbare handelingen en onbelastbare handelingen.3 Belastbare handelingen kunnen zowel met btw belaste als van btw vrijgestelde4 prestaties betreffen, terwijl onbelastbare handelingen buiten de reikwijdte van de btw vallen. Wanneer wordt gesproken over ‘onbelast’ kan dit dus zowel betrekking hebben op belastbare doch vrijgestelde prestaties, of op onbelastbare handelingen. Bij de overgang van een algemeenheid van goederen doen zich geen leveringen en diensten voor waardoor sprake is van een onbelastbare handeling. Ten onrechte wordt de faciliteit van de algemeenheid van goederen nog wel eens als vrijstelling aangeduid.5 Dit onderscheid moet met name voor de gevolgen voor het recht op aftrek van voorbelasting van belang worden geacht.
Het geven van het antwoord op de vraag in hoeverre deze geruisloosheid nadelige effecten heeft voor de aftrek van voorbelasting en daarmee voor de economische neutraliteit (evenredigheidsbeginsel) heeft de richtlijngever impliciet overgelaten aan het Hof van Justitie. In het arrest Abbey National I bepaalde het Hof van Justitie in dit verband overigens dat kosten die worden gemaakt in verband met de overdracht van een algemeenheid van goederen moeten worden aangemerkt als algemene kosten en daardoor voor (gedeeltelijke) aftrek in aanmerking komen.6 Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 4.5.2. Het impliciete gevaar voor de economische neutraliteit is evenwel niet het enige aspect dat de geruisloze overgang tot een vreemde eend in de btw-bijt maakt.7