Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/4.2.1
4.2.1 Motieven achter het eenheidsbeginsel volgens de Parlementaire Geschiedenis
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483092:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: H.W. Heyman, ‘De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht’, WPNR 1974/5270.
Met verwijzing naar I. Kisch, Beschouwingen over de onderscheiding tusschen zakelijke en persoonlijke rechten (diss. UvA), Samsom: Alphen aan de Rijn 1932.
Met verwijzing naar J.H. Beekhuis, ‘Zaaksbestanddelen naar bestaand en wordend recht’, in: J.H. Beekhuis e.a., Van Opstall-bundel. opstellen aangeboden aan Prof. Mr. S. N. van Opstall, Deventer: Kluwer 1972.
Naast Ploeger ook aangehangen door J.Ph. Suijling. Zie: J.Ph. Suijling, Inleiding tot het Burgerlijk Recht. Deel V, Zakenrecht, Haarlem: Bohn 1940.
Bouly bespreekt in haar dissertatie vier verschillende ratio’s achter het eenheidsbeginsel: de juridische, de economische, de maatschappelijke en de functionele ratio. Zij bespreekt niet welke ratio volgens haar prevaleert. Zie: S. Bouly, Onroerende natrekking en horizontale eigendomssplitsingen, (diss. Leuven), Antwerpen: Intersentia, 2015, p. 28 t/m 34.
MvA II, PG Boek 3, p. 76.
MvA II, PG Boek 3, p. 76.
MvA II, PG Boek 3, p. 76.
Ook Hijma heeft geschreven over de achtergrond van het eenheidsbeginsel. Hij stelt dat de achtergrond van dit beginsel gelegen is in de behoefte om datgene wat maatschappelijk en/of economisch als een ondeelbare eenheid wordt ervaren, ook juridisch één ondeelbaar te doen zijn. Dit vloeit zijn inziens voort uit overwegingen van (rechts)zekerheid en (rechts)economie. Welke van de twee motieven prevaleert, bespreekt hij niet. Hij stelt dat beide motieven ‘met elkaar samenhangen en elkaar wederzijds versterken. Zie J. Hijma, annotatie bij: HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, AA 1992, afl. 5, p. 286 (Dépex/Curatoren).
Er bestaan verschillende opvattingen over het motief van het eenheidsbeginsel.1 Ploeger noemt er in zijn dissertatie drie: het behoud van de status quo2 , de rechtszekerheid3 en het waardemotief: de eenheid is van meer waarde dan de som van de delen.4
In de Parlementaire Geschiedenis vindt men twee van deze motieven terug: de rechtszekerheid en het waardemotief. Een ander beginsel dat besproken wordt in de Parlementaire Geschiedenis is de gelijkheid van schuldeisers.5 Deze motieven worden niet besproken bij de behandeling van het huidige art. 5:3 BW, maar bij de parlementaire behandeling van het huidige art. 3:4 BW. In het oorspronkelijk Ontwerp Meijers was in lid 3 een uitzondering op het eenheidsbeginsel opgenomen (zie art. 3.1.1.3 lid 3 BW Ontwerp Meijers). Op grond hiervan kon een verkoper van een roerende zaak eventuele natrekking voorkomen, door een eigendomsvoorbehoud in de registers in te laten schrijven. Uiteindelijk werd deze bepaling geschrapt. Hierin komen een drietal bezwaren naar voren, waaruit (impliciet) de motieven achter het eenheidsbeginsel blijken.
Wat betreft de rechtszekerheid wordt gesteld:
“Een stelsel waarin men zich onbeperkt zijn recht op een bestanddeel van een zaak zou kunnen voorbehouden, zou immers tot grote onzekerheid leiden, met name voor de crediteuren van degene aan wie de hoofdzaak toebehoort, waaronder hen die zich op de hoofdzaak een zakelijke zekerheid bedongen.”6
Hierbij wordt het voorbeeld gegeven dat indien lid 3 van art. 3:4 BW opgenomen zou worden in het Burgerlijk Wetboek, een hypotheekhouder er nimmer zeker van kan zijn dat bepaalde bestanddelen door zijn hypotheekrecht omvat worden. Wellicht zijn deze immers onder eigendomsvoorbehoud geleverd.
Hier wordt aan toegevoegd dat de waarde van een regeling dat een zaak die onder eigendomsvoorbehoud geleverd wordt, geen bestanddeel kan worden van een andere zaak, gelegen is in het feit dat de leverancier bij uitblijven van de betaling de zaak kan revindiceren. Hier wordt (kort) ingegaan op het waardemotief:
“Deze waarde is echter geringer dan zij schijnt. Het teruggenomene, aangepast als het is aan het onroerend goed waarvoor het oorspronkelijk bestemd was – men denke bijvoorbeeld aan een centrale verwarmingsinstallatie –, zal dikwijls na de afscheiding slechts een naar verhouding geringe waarde vertegenwoordigen. Daarentegen zal de waardevermeerdering van het gebouw en daarmee het nadeel voor de eigenaar, diens overige schuldeisers en, in groter verband bezien, voor de gemeenschap, meestal onevenredig groter zijn.”7
Hierin klinkt de erkenning dat de waarde van de eenheid soms groter is, dan de som van de afgescheiden delen.
Tot slot wordt er (kort) ingegaan op de gelijkheid van schuldeisers:
“Een regel als hier bedoeld kan ook moeilijk met een beroep op de billijkheid gerechtvaardigd worden. Wanneer bijvoorbeeld bij het oprichten van een gebouw de grondeigenaar buiten staat blijkt degenen die daartoe materiaal en arbeid hebben bijgedragen, het hun toekomende te betalen, dan schijnt het geenszins billijk dat degene wiens prestatie nog voor afscheiding vatbaar is, wellicht volledige voldoening verkrijgt, terwijl degene wiens prestatie niet afgescheiden kan worden (de aannemer van het schilderswerk bijvoorbeeld) dientengevolge des te minder ontvangt.”8
Uit de in het bovenstaande geciteerde teksten blijkt echter niet welk motief prevaleert.9 In het navolgende zullen drie motieven zoals genoemd in de Parlementaire Geschiedenis en tevens het status-quo-beginsel dat Ploeger bespreekt in zijn dissertatie, besproken worden. Te beginnen met deze laatste.