De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.5.3.1:6.5.3.1 Algemeen
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.5.3.1
6.5.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS386522:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233 en Prinsen 2004, p. 128.
Prinsen 2004, p. 128.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233 en Van der Grinten 1991, p. 126.Blanco Fernández & Schwarz 1992, p. 290, noemen de rechten die aan houders van bewilligde certificaten toekomen, zoals het vergaderrecht. Van der Grinten 1991, p. 126 en Eisma 1991, p. 32, noemen ook het vergaderrecht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het participatiebewijs is als zodanig niet in de wet geregeld. Voor de rechten en verplichtingen zullen de participatievoorwaarden uitkomst moeten bieden. Hoewel het participatiebewijs niet in de wet geregeld is, geeft de wet niettemin een aantal aanknopingspunten voor en rechten aan de houder van een participatiebewijs. Omdat geen sprake is van een lidmaatschapsverhouding tussen de houder van een participatiebewijs en de vennootschap, staat die houder in een andere organisatorische verhouding tot de vennootschap. De houders van participatiebewijzen zijn geen orgaan van de vennootschap.1 Dat sluit echter niet uit dat die houders zich kunnen organiseren door het instellen van een vergadering van houders van participatiebewijzen, die algemeen bindende besluiten kan nemen en als zodanig als groep jegens de vennootschap positie kan innemen.2
In de regel zullen de participatievoorwaarden voornamelijk financiële rechten, en geen zeggenschapsrechten, aan de houder van een participatiebewijs toekennen. Het belangrijkste recht is het winstrecht. Voor de inhoud van dat recht moeten de participatievoorwaarden geraadpleegd worden. Als voorbeelden noem ik tevens bepalingen over de (storting van de) inbreng, op welke wijze de houder van het participatiebewijs deelt in de winst (bijvoorbeeld de hoogte en de al dan niet voorwaardelijkheid van de winstuitkering) en het liquidatieoverschot, inkoop en intrekking van het participatiebewijs, overdraagbaarheid, voorkeursrecht bij uitgifte van nieuwe participatiebewijzen, vergaderrecht, en wijziging van de participatievoorwaarden. Statutair of in de participatievoorwaarden kunnen aan de houders van een participatiebewijs bevoegdheden zijn toegekend, voor zover die bevoegdheden niet dwingendrechtelijk aan een orgaan van de vennootschap zijn toegekend.3
Een vraag die opkomt, is of de interne verhoudingen bij de houder van een participatiebewijs niet tevens worden geregeld door de vermogensrechtelijke redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en 6:248 BW. De houder van een participatiebewijs staat immers in een contractuele verhouding tot de vennootschap, zij het met een statutair anker. Op het antwoord op die vraag kom ik in paragraaf 7.3 terug.
Het recht op winst op grond van een participatiebewijs moet worden onderscheiden van de zuivere contractuele winstrechten. Bij zuivere, contractuele winstrechten gaat het om een uitkering die ten laste van het resultaat van de vennootschap komt, zoals blijkt uit de winst- en verliesrekening. Het kan dan in dat geval gaan om loon, honorarium of bonusregelingen voor bestuurders, commissarissen en werknemers van de vennootschap. Met dergelijke uitkeringen is al bij het opmaken van de jaarrekening rekening gehouden en zijn reeds als kosten in het resultaat verwerkt. Zuivere, contractuele winstrechten moeten dus worden onderscheiden van winstrechten op grond van een participatiebewijs. In dat laatste geval gaat het om rechten op winst na vaststelling van de jaarrekening.