Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/1.5.3
1.5.3 Het bronnenmateriaal
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598739:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
DNB Aanbiedingsbrief FOCUS!
DNB Brochure FOCUS!
DNB Brochure FOCUS!, p. 5.
Bijv. Smith e.a. 2008, p. 686; Franken 2004, p. 1407; Asser/Scholten 1974, par. 17 en par. 20; Meijers 1910, p. 28.
Moerel & Van Reeken 2009.
Jongen 2008.
Van Esch & Timmerman 2014.
Het gaat om het hierna als “pensioenfonds A” aangeduide pensioenfonds.
De “DUFAS Model Fiduciair Beheerovereenkomst” is te downloaden op www.dufas.nl.
Er is een oproep geplaatst in de LinkedIn-groepen Pensioen Netwerk Groep, Pensioenfondsbestuurder Professional Groep, Pensioenfondsbestuurders, en Task Force Pensioen.
In het verleden hanteerde DNB de toezichtsmethode die hij had beschreven in het Handboek FIRM. Sinds 2012 heeft DNB deze toezichtsmethode vervangen door “FOCUS!” Van deze nieuwe toezichtsmethode is weinig bekend. Er zijn enkel een aanbiedingsbrief1 en een brochure2 verschenen. De brochure geeft een beschrijving van de hoofdlijnen van het nieuwe toezicht. Het Handboek FIRM was veel uitgebreider en gedetailleerder. Uit de brochure blijkt ook dat de nieuwe toezichtsmethode FOCUS! voortbouwt op het Handboek FIRM.3 Her en der verwijs ik daarom toch naar het Handboek.
Een theorie is pas goed als hij in de praktijk blijkt te werken.4 Om vast te stellen hoe in de praktijk aan de uitbestedingsregels vorm kan worden gegeven, heb ik gebruik gemaakt van a) praktische juridische literatuur over uitbesteding, b) (model-)vermogensbeheerovereenkomsten en c) interviews met personen die in de praktijk met deze uitbestedingsregels werken.
In de literatuur over uitbesteding in de financiële sector worden op onderdelen wel aanzetten gegeven voor de vertaling naar de praktijk. Het blijft echter fragmentarisch. Er bestaat wel praktische juridische literatuur over uitbesteding die meer dekkend is, maar die is niet toegespitst op de financiële sector. Toch is deze literatuur goed bruikbaar. Deze literatuur geeft immers aan hoe bepaalde kwesties in de praktijk worden opgelost. Een oplossing buiten de financiële sector kan een goede oplossing zijn voor eenzelfde probleem binnen de financiële sector. Ook zulke praktische juridische literatuur, ook al is ze niet toegespitst op uitbesteding in de financiële sector, is dun gezaaid. Ik heb ruim geput uit: “Outsourcing. Een juridische gids voor de praktijk”,5 “International outsourcing law and practice”6 en de NIBE-SVV-bundel “Uitbesteding in de financiële sector”.7
Via contacten bij enkele advocatenkantoren en pensioenfondsen heb ik in vertrouwelijkheid een vijftal institutioneel-vermogensbeheerovereenkomsten kunnen inzien. Deze overeenkomsten stammen uit de jaren 2005, 2007, 2009, 2010 en 2011. Daarenboven heb ik twee model-overeenkomsten mogen gebruiken van twee verschillende advocatenkantoren met uitgebreide dienstverlening op het gebied van institutioneel vermogensbeheer. Deze heb ik verkregen in 2009 en in 2013. Van één pensioenfonds mocht ik de door hem gebruikte standaardovereenkomst gebruiken.8 Ook de modelovereenkomst fiduciair beheer van DUFAS is gebruikt.9
Tot slot heb ik in mijn onderzoek interviews gehouden met diverse personen die in de praktijk met de uitbestedingsregels werken. Deze gesprekken zijn tot stand gebracht via een oproep in LinkedIn-groepen10 en via contacten van (medewerkers van) het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht. Het doel van deze interviews was om een beter inzicht te krijgen hoe in de praktijk daadwerkelijk met de uitbestedingsregels wordt omgegaan en om te toetsen of de door mij ontwikkelde ideeën realistisch zijn. Er is daarom gekozen voor semi-gestructureerde interviews. Het doel van de interviews was uitdrukkelijk niet om een empirisch onderzoek neer te zetten. De geïnterviewden vormen ook geen representatieve vertegenwoordiging van de marktpartijen die bij uitbesteding in de financiële sector (of bij uitbesteding van vermogensbeheer door pensioenfondsen) betrokken zijn. Niettemin zijn in de interviews zowel grotere als kleinere pensioenfondsen en vermogensbeheerders betrokken. De medewerking is veelal verleend onder de voorwaarde van vertrouwelijkheid. Ik moet daarom volstaan met een beschrijving van algemene kenmerken.
In mijn interviews zijn vijf pensioenfondsen betrokken. Pensioenfonds A heeft 10 tot 15 miljard euro onder beheer. Ik sprak met een jurist en het hoofd van het bestuursbureau. Pensioenfonds B heeft 3 tot 6 miljard euro onder beheer. Hier sprak ik met de directiesecretaris. Het beheerde vermogen van pensioenfonds C bedraagt 1 tot 2 miljard euro. Gesproken heb ik met een portefeuillebeheerder en het hoofd beleggingen. Het vermogen onder beheer van pensioenfonds D bedraagt 200 tot 400 miljoen euro. Ik sprak met het bestuurslid dat de uitbestedingscommissie leidt. Tot slot sprak ik met een jurist die minder dan 5 jaar eerder betrokken was bij pensioenfonds E dat destijds eveneens 200 tot 400 miljoen euro onder beheer had.
In mijn onderzoek zijn ook twee adviesbureaus op het gebied van pensioenen betrokken. Ik sprak met de directeur van adviesbureau F; van adviesbureau G sprak ik met een pensioenadviseur en een juridisch adviseur.
Voorts namen twee institutionele vermogensbeheerders deel aan mijn onderzoek. Vermogensbeheerder H beheert meer dan 90 miljard euro. Ik sprak met drie juristen en twee portefeuillebeheerders. Van vermogensbeheerder I, met een beheerd vermogen van 14 tot 20 miljard euro, sprak ik met een klantbeheerder.
In het onderzoek zijn ook medewerkers van drie internationaal actieve financiële groepen betrokken. Bij financiële groep J sprak ik met één jurist, bij financiële groep K met drie juristen en bij financiële groep L met een jurist en twee sourcing managers. Bij financiële groep K kwam uitbesteding aan bod, zowel met de (groeps)onderneming als uitbesteder, als degene aan wie wordt uitbesteed.
Verder sprak ik met een adviseur van een Amsterdams advocatenkantoor M die zich toelegt op de financiële markten en met een jurist van DNB en een jurist van de AFM. De volledigheid gebiedt aan te geven dat sommige van mijn gesprekspartners in twee hoedanigheden aan het woord kwamen. De directeur van adviesbureau F is dezelfde als mijn gesprekspartner van pensioenfonds E. De pensioenadviseur van adviesbureau G is dezelfde als het bestuurslid van pensioenfonds D.
Tot slot heb ik ook met medewerkers van de toezichthouders kunnen spreken. Ik sprak met twee medewerkers van DNB en 1 (toenmalige) medewerker van de AFM.