Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.3.1
III.6.3.1 Inleiding
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453176:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Eventueel kan het recht op bescherming tegen onteigening (artikel 14 Gw) hier aan worden toegevoegd. Het EHRM behandelt de uitzetting en de gedwongen verkoop van de woning namelijk ook onder artikel 8 lid 1 EVRM: ‘the loss of one’s home is a most extreme form of interference with the right to respect for the home’. EHRM 25 juli 2013, appl. no. 27183/04, r.o. 137 (Rousk vs. Zweden). Zie ook EHRM 9 oktober 2007, appl. no. 7205/02, r.o. 57 (Stankova vs. Slowakije) en EHRM 15 januari 2009, appl. no. 28261/06, r.o. 18 (Cosic vs. Kroatië) en EHRM 18 juli 2013, appl. 7177/10, r.o. 37-40 (Brezec vs. Kroatië).
Stb. 1983, 70. Zie hierover P.H. Blok, Het recht op privacy: Een onderzoek naar de betekenis van het begrip ‘privacy’ in het Nederlandse en Amerikaanse recht (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2002, p. 41-43.
Stb. 1983, 70. K. de Vries, ‘Het recht op privéleven en aanverwante rechten’, in: J. Gerards e.a. (red.), Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 149.
Werkgroep Proeve van een nieuwe grondwet, Proeve van een nieuwe grondwet, Den Haag: Staatsuitgeverij 1966, p. 68.
In een eerste oogopslag lijkt de tekst van artikelen 10 tot en met 14 Gw sterk overeen te komen met de bescherming die artikel 8 lid 1 EVRM biedt. De Nederlandse wetgever heeft echter, anders dan de Raad van Europa, gekozen voor aparte bepalingen voor de bescherming van verschillende aspecten van de privacy. Artikelen 10, 11, 12 (en 14) en 13 Gw bevatten respectievelijk de bescherming van algemene persoonlijke levenssfeer inclusief de bescherming van persoonsgegevens, de onaantastbaarheid van het lichaam, de bescherming van de woning (en regels omtrent onteigening1) en de onschendbaarheid van het briefgeheim.
Wat opvalt, is dat het artikel waarin de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens is geregeld relatief jong is.2 Pas bij de Grondwetswijziging van 1983 is een bepaling opgenomen waarin de persoonlijke levenssfeer wordt beschermd.3 In de Grondwet van 1848 stonden zowel het huisrecht (artikel 153) en het briefgeheim (artikel 154) al opgenomen. In de jaren zestig van de vorige eeuw komt het vervolgens tot uitbreiding van de onschendbaar van het briefgeheim met het telefoongeheim.4 In 1975 wordt gesproken over een algemenere bescherming van de privacy. Volgens de regering is het recht op respect voor privacy een essentiele voorwaarde voor het menselijke bestaan, overigens nog steeds met een duidelijke nadruk op geheimhouding- c.q. afschermingsdimensie gebaseerde definitie van privacy: ‘privacy is een gebied waarbinnen elk individu vrij is en geen inmenging van anderen behoeft te dulden’.5 Vooral de volgende citaat uit de memorie van toelichting bij de Grondwet van 1983 geeft goed aan hoe over de privacybescherming destijds in Nederland werd gedacht:
‘Bij de vraag naar de begrenzing van dit gebied denkt men gewoonlijk eerst aan het huis waarin iemand leeft. Vanouds valt de woning onder de bescherming van het zogenaamde huisrecht, hetgeen onder meer inhoudt, dat een bewoner anderen niet in zijn huis behoeft binnen te laten. Evenmin behoeft de bewoner te dulden, dat anderen met behulp van technische apparatuur waarnemen, registreren en openbaar maken hetgeen in zijn woning gebeurt. Herinnerd zij aan de in 1971 in het Wetboek van Strafrecht ingevoegde artikelen 139a en volgende. Met deze ruimtelijke begrenzing is het gebied van de privacy niet volledig aangeduid. Bepaalde vormen van communicatie, zoals het telefoongesprek en de briefwisseling, plegen tot de privésfeer te worden gerekend en genieten eveneens een zekere rechtsbescherming. Ook het buiten een woning gevoerde vertrouwelijke gesprek mag worden gerekend tot de privésfeer van de gesprekspartners, evenals sommige gewoonten, gedragingen, contacten, abonnementen, lidmaatschappen en bepaalde aspecten van het gezinsleven.’6
Daarbij wordt als eerste de nadruk gelegd op de bescherming van de woning en ten tweede op bescherming van vertrouwelijke communicatie. De twee ‘klassieke’ onderdelen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn de discussie over het concept ‘privacy’ blijven domineren. Pas in de allerlaatste zin komt ‘de persoonlijkheid’ (in de zin van gewoonten, gedragingen etc.) en het gezinsleven om de hoek kijken. In 1983 treedt de nieuwe Grondwet in werking en in artikel 10 wordt een algemeen recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in de Nederlandse Grondwet opgenomen. Daarbij vertolkt het recht een vangnetconstructie voor privacy-issues die niet specifiek elders zijn geregeld.7
Na deze korte inleiding over het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer in de Nederlandse Grondwet worden de artikelen 10 tot en met 13 nader uitgewerkt. Ik houd daarbij de volgorde van wetgever aan en behandel derhalve als eerste het algemeen recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 2 Gw). Vervolgens komen de onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11 Gw), de bescherming van de woning (artikel 12 Gw) en bescherming van vertrouwelijke communicatie (artikel 13 Gw) aan bod. Deze uitwerking van de verschillende grondrechten naar Nederlands recht is belangrijk zodat de Nederlandse privacybescherming kan worden vergeleken met de bescherming die artikel 8 EVRM biedt. Met de door mij hiervoor beschreven interpretatie van de rechtspraak van het EHRM op het gebied van artikel 8 EVRM, kan worden beoordeeld of de Hoge Raad voor eenzelfde lijn kiest bij de uitwerking van het begrip ‘privacy’. In het begin van dit hoofdstuk is namelijk beschreven dat er verschillende theoretische visies en rechtsgronden kunnen worden gebruikt om handen en voeten te geven aan het recht op respect voor privacy. Het is niet ondenkbaar dat de Hoge Raad, zeker gezien de moeilijkheden wat betreft de definitie van privacy, een andere invalshoek kiest dan het EHRM.
Om te beoordelen of een opsporingsmethode in het algemeen en de GKT in het bijzonder het recht op respect voor privacy schendt, is het interessant de Nederlandse bescherming te onderscheiden van de Straatsburgse bescherming. Dit is ook ondanks het toetsingsverbod interessant omdat de uitwerking kan worden gebruikt voor een vergelijking met de bescherming van artikel 8 EVRM. Dit is des te meer informatief omdat de Nederlandse regering, anders dan de Raad van Europa, voor een gefragmenteerde aanpak heeft gekozen met privacyfacetten in specifieke artikelen met een eigen beperkingsregime. Verder moet de wetgever natuurlijk wel vol toetsen aan de Grondwet bij wetswijzigingen en bij de introductie van (neuro)geheugendetectie en andere nieuwe opsporingsmethoden spelen artikelen 10 tot en met 13 Gw, anders dan in de rechtspraak met betrekking tot de toetsing van opsporingsmethoden uit wetten in formele zin, een rol van betekenis.