Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.3.5
III.6.3.5 Rechtvaardiging van inbreuken op grondrechten uit het privacycluster
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS458008:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 13 lid 1 Gw: Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter. Artikel 13 lid 2 Gw: Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
Artikel 10 lid 1 Gw: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.Artikel 11 Gw: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.Artikel 12 lid 1 Gw: Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 872, nr. 3, p. 22 en J.M.E. Derks, De Grondwet en delegatie. Het delegatievraagstuk in constitutioneel perspectief (diss. Maastricht), Lelystad: Koninklijke Vermande 1995, p. 5, 85 e.v en C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 38.
Overigens wordt in de memorie van toelichting bij de Grondwetswijziging niet gemotiveerd waarom het recht uit artikel 13 Gw een ander beperkingsregime rechtvaardigt. Kamerstukken II 1975-1976, 13 872, nr. 3, p. 44-46.
Artikel 13 lid 1 Gw: Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter. Artikel 13 lid 2 Gw: Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
C.P.M. Cleiren, De openheid van de wet, de geslotenheid van het recht, Arnhem: Gouda Quint 1992, p. 9, 14 en C.P.M. Cleiren, ‘Legaliteitsbeginsel’, in: C.P.M. Cleiren, M.J.M. Verpalen & J.H. Crijns (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, Deventer: Kluwer 2015. Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 20, 23.
De hierboven besproken rechten in het privacycluster uit de Nederlandse Grondwet hebben allemaal een beperkingsclausule. Omdat de privacyrechten kunnen worden beperkt, is het belangrijk ook de voorwaarden voor een rechtmatige beperking te bespreken. De meeste opsporingsmethoden, waaronder (neuro)geheugendetectie, maken een inbreuk op het recht op respect voor privacy. Juist omdat veel strafvorderlijke methoden een inbreuk op de privacy van burgers maken, is een beperkingsclausule van een recht uit het privacycluster van groot belang. Hieronder worden de beperkingsregimes van de artikelen 10 tot en met 13 Gw uiteen gezet waarbij ik criteria die in meerdere artikelen voorkomen samen behandel.
Bij elk privacygrondrecht in de Grondwet wordt ten eerste een eis gesteld aan de kwaliteit van de wet waarin de beperking is opgenomen. De Grondwet gebruikt hierbij, in het algemeen en bij de rechten uit het privacycluster in het bijzonder, twee varianten. Bij de grondrechten uit het privacycluster bepaalt artikel 13 Gw dat de beperking bij wet in formele zin moet zijn geregeld.1 Ten tweede bepalen de overige privacyrechten dat de beperking van de overige rechten in het privacycluster moeten zijn gebaseerd op formeel wettelijke bepaling waarbij delegatie is toegestaan (artikelen 10, 11, 12 Gw).2 De eerste variant legt de bevoegdheid om tot grondrechtenbeperkende wetgeving over te gaan exclusief neer bij de wetgever. De tweede formulering – bij of krachtens de wet – laat delegatie toe.3 Bij de rechten in het privacycluster wordt, behalve in het geval van het brief- en telecommunicatiegeheim, gekozen voor mogelijke beperkingen bij of krachtens de wet.4
Verder worden, behalve bij artikel 13 Gw,5 geen eisen gesteld aan de uitvoerende autoriteit, het doel dat met de inbreuk wordt gediend of de noodzakelijkheid van de inbreuk. Artikel 12 lid 2 Gw bepaalt daarnaast dat het binnentreden van een woning zonder toestemming alleen geschiedt bij voorafgaande legitimatie van de autoriteiten en mededeling van het doel van het binnentreden. Deze procedurele voorwaarden beperken echter niet de mogelijke inzet van de bevoegdheid maar stellen eisen aan de uitvoering. Al met al kan worden geconcludeerd dat de beperkingsregimes bij grondrechten uit het privacycluster die zijn opgenomen in de Nederlandse Grondwet ruim zijn. De enige eis die telkens en duidelijk uit de Grondwet naar voren komt, is de voorwaarde van de formeel wettelijke grondslag (met of zonder delegatie).
Overigens zijn deze beperkingsclausules voor de rechtvaardiging van inbreuken op privacyrechten niet de enige bepalingen waaraan de inbreuk die plaatsvindt in de strafvordering moet worden getoetst. Voor het strafprocesrecht bevat artikel 1 Sv aanvullende eisen voor gerechtvaardigde inbreuken op mensenrechten, door in het algemeen te vereisen dat strafvordering bij wet moet zijn voorzien en plaats moeten vinden zoals in de wet is omschreven. Zeker gezien de ruime beperkingsclausules van privacyrechten in de Grondwet is de aanvullende werking van artikel 1 Sv niet te onderschatten en waarschijnlijk van groter belang dan de Grondwettelijke beperkingsclausules. Omdat het legaliteitsbeginsel belangrijk is voor de beperking van grondrechten in een strafvorderlijke context wordt in het vervolg van deze paragraaf de eisen die artikel 1 Sv stelt aan strafvorderlijke opsporingsmethoden besproken. De vraag die daarbij rijst, en die hieronder eerst wordt behandeld, is of en in hoeverre delegatie is toegestaan. Dit komt doordat artikel 1 Sv bepaalt dat strafvordering bij wet moet zijn voorzien. Omdat in het strafprocesrecht naast bevoegdheidstoekennende bepalingen ook regels voorkomen waarin de procedure van een bevoegdheid wordt uitgewerkt, zijn drie alternatieven mogelijk: (1) delegatie is niet toegestaan voor zowel bevoegdheidstoekenning als regels met betrekking tot de uitvoering van een bevoegdheid; (2) delegatie is enkel toegestaan met betrekking tot de uitvoering van een bevoegdheid en; (3) delegatie is zowel bij bevoegdheidstoekenning als uitwerking toegestaan. Na de bespreking van de mogelijkheid tot delegatie wordt de andere voorwaarde uit artikel 1 Sv bekeken. Daarin is namelijk ook bepaald dat strafvordering plaatsvindt op de wijze bij wet voorzien. Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel stelt derhalve eisen aan de uitvoering van een bevoegdheid.
Het eerste legaliteitsvereiste behelst een opdracht aan de wetgever. Hij moet strafvordering bij wet voorzien. Het tweede legaliteitsvereiste heeft primair de andere twee machten als adressaat. De uitvoerende macht moet strafvordering uitvoeren op de wijze bij wet voorzien en de rechterlijke macht dient te controleren of de uitvoerende macht zijn bevoegdheden correct heeft gebruikt. Door Cleiren worden deze twee strafvorderlijke legaliteitsonderwerpen respectievelijk de ‘exclusiviteit van de wet’ en de ‘gebondenheid aan de wet’ genoemd.6 Ik werk deze twee kenmerken hieronder nader uit.
III.6.3.5.1 Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel als norm voor de rechtvaardiging van inbreuken op grondrechten: exclusiviteit van de wetIII.6.3.5.2 Het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel als norm voor de rechtvaardiging van inbreuken op grondrechten: gebondenheid aan de wetIII.6.3.5.3 Conclusie: het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel als norm voor de rechtvaardiging van inbreuken op grondrechten