De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.1:2.1 Inleiding
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS374042:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de huur van ongebouwde onroerende zaken niet zo’n uitgebreide wetsgeschiedenis kent als bij bijvoorbeeld de huur van bedrijfsruimte het geval is, is de huur van ongebouwd onroerend goed op verschillende momenten in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk aan de orde geweest. Op bepaalde momenten is er bewust voor gekozen om de huurbeschermingsbepalingen van toepassing te laten zijn op ongebouwd onroerend goed of dit regime juist volledig uit te sluiten, op andere momenten lijkt de wetgever het bestaan van de ongebouwde onroerende zaak geheel buiten beschouwing te hebben gelaten.
Waar de ontwikkelingen van het huurrecht in zijn geheel slechts in grote lijnen aan de orde zullen komen, zal in dit hoofdstuk worden aangegeven op welke momenten en hoe de wetgever aandacht heeft besteed aan de huur van ongebouwde onroerende zaken. In dit hoofdstuk heb ik ervoor gekozen om eerst een korte schets te geven van de huurwetgeving van voor 1951 en de regelgeving daarna uitgebreider te behandelen. De reden hiervoor is dat op 1 januari 1951 de Huurwet in werking is getreden: de eerste wet waarin er sprake is van een uitdrukkelijke huurbescherming voor huurders van verschillende soorten zaken. In iedere paragraaf komt vervolgens een wetswijziging aan de orde die van belang is voor de huur van ongebouwd onroerend goed.
Het historisch overzicht dat in dit hoofdstuk wordt gegeven is niet slechts een onderdeel van het beschrijvend deel van dit onderzoek, waartoe ook de beschrijving van de huidige rechtspositie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak behoort die in hoofdstuk 3 is opgenomen, maar is ook van belang voor het in hoofdstuk 7 opgenomen betoog dat een wijziging gewenst is van de huidige wettelijke regeling ten voordele van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak. Uit dit hoofdstuk zal namelijk (onder meer) blijken dat de wetgever, waar de huur van ongebouwd onroerend goed in het verleden bij verschillende (voorgestelde) wetswijzigingen expliciet aan de orde is gekomen, een te beperkt aantal verschijningsvormen van deze huur voor ogen heeft gehad. Anders gezegd, de wetgever heeft zich niet volledig gerealiseerd in welke situaties (slechts) sprake is van huur van ongebouwde onroerende zaken. De knelpunten die dat oplevert bespreek ik in hoofdstuk 6.