Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.3
3.3 Zonnepanelen
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487922:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
J. Groen, ‘Zonnepanelen als statussymbool’, de Volkskrant 18 juli 2015.
Nierop gebruikt hiervoor de term ‘fysiek geïntegreerde’ zonnepanelen. Zie: S.C.A. van Nierop, ‘Het zonnepaneel belicht – de ontwikkeling van een juridisch kader’, NTE 2012, afl. 4, p. 162.
Zie het project genaamd ‘SolarBEAT’, van de Solar Energy Application Centre (SEAC) in combinatie met de Technische Universiteit Eindhoven, waarbij gewerkt wordt aan de ontwikkeling van hele daken als zonnepaneel.
Zie eveneens: S.C.A. van Nierop, ‘Het zonnepaneel belicht – de ontwikkeling van een juridisch kader’, NTE 2012, afl. 4, p. 163.
Op grond van de conclusies van hoofdstuk 1 wordt de vraag of een zonnepaneel nagetrokken wordt door een gebouw beantwoord aan de hand van art. 3:4 BW. Wanneer men (mijns inziens ten onrechte) deze vraag zou beantwoorden aan de hand van de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 j° 5:20 lid 1 sub e BW, zou toepassing van het bestemmingscriterium er toe leiden dat op het dak geplaatste zonnepanelen werken zijn, die naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, zodat deze onroerend zijn en nagetrokken worden door de eigendom van de grond. Zie de casus met betrekking tot de zendmast op een gebouw aan het einde van hoofdstuk 1.
S.C.A. van Nierop, ‘Het zonnepaneel belicht – de ontwikkeling van een juridisch kader’, NTE 2012, afl. 4, p. 163.
HR 11 december 1953, NJ 1954/115.
S.C.A. van Nierop, ‘Het zonnepaneel belicht – de ontwikkeling van een juridisch kader’, NTE 2012, afl. 4, p. 163.
De ontwikkeling van zonnepanelen is in de afgelopen jaren ontzettend snel gegaan. Zonnepanelen zijn populair, zo blijkt uit een artikel in de Volkskrant van 18 juli 2015:
“Nederland telt vijf miljoen systemen [...].”1
Onduidelijkheid bestaat over de vraag of een zonnepaneel dat op een dak is geplaatst nagetrokken wordt door de eigendom van dat huis. Zoals uit het eerste hoofdstuk van deze dissertatie blijkt, dient het zonnepaneel mijns inziens niet gezien te worden als een werk dat indirect verenigd is met de grond, in de zin van art. 3:3 BW, zodat deze op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW nagetrokken wordt door de eigendom van de grond. Om die reden zal in het navolgende de vraag besproken worden of een zonnepaneel dat geplaatst is op een dak, bestanddeel wordt van het gebouw op grond van art. 3:4 BW.
Kort gezegd zijn er twee typen zonnepanelen te onderscheiden: in het dak geïntegreerde zonnepanelen2 en niet in het dak geïntegreerde zonnepanelen. In het eerste geval maken de zonnepanelen een integraal onderdeel uit van het dak. Zo bestaan er zonnepanelen in de vorm van een dakpan, die geheel geïntegreerd zijn in de rest van het dak. Ook wordt er hard gewerkt aan de ontwikkeling van gehele daken die bestaan uit zonnepanelen.3 Veelal worden zonnepanelen echter geplaatst op bestaande daken. De zonnepanelen zijn dan niet in het dak zelf geïntegreerd, maar worden op het dak gemonteerd.
Over het antwoord op de vraag of een in het dak geïntegreerd zonnepaneel bestanddeel is van het gebouw, zal niet veel discussie bestaan. Deze zonnepanelen zijn zodanig in het dak geïntegreerd dat deze niet zonder beschadiging van betekenis afgescheiden kunnen worden van het dak, zodat deze op grond van art. 3:4 lid 2 BW bestanddeel zijn van het dak. Mochten deze zonnepanelen wel afgescheiden kunnen worden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, dan zullen de zonnepanelen ook op grond van de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW bestanddeel van het gebouw zijn, nu het dak en de panelen in constructief opzicht op elkaar afgestemd zijn.4 Dit was immers één van de in het arrest Dépex/Curatoren neergelegde aanwijzingen voor bestanddeelvorming naar verkeersopvatting en zal juist op zo een situatie zien.
Voor wat betreft op het dak gemonteerde zonnepanelen ligt dit anders.5 Deze zullen immers wel zonder beschadiging van betekenis aan één van beide zaken afgescheiden kunnen worden, zodat niet voldaan wordt aan het criterium van art. 3:4 lid 2 BW. Ook zijn het dak en de panelen niet in constructief opzicht op elkaar afgestemd. Om die reden gaat hetgeen is besproken ten aanzien van de in het dak geïntegreerde zonnepanelen hier niet op. De andere aanwijzing die geformuleerd werd in het arrest Dépex/Curatoren is de vraag of het gebouw zonder de panelen als incompleet te beschouwen is. Hierover kan men discussiëren.
Wanneer de zonnepanelen een aanvulling zijn op een reeds bestaande klimaatvoorziening (wat veelal zo zal zijn), zal het antwoord ontkennend zijn. Wanneer men de aanwijzingen uit het arrest Dépex/Curatoren even loslaat, resteert de vraag of de panelen naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van een gebouw. Dit antwoord dient mijns inziens (ondanks het bovenstaande) bevestigend te luiden. Wanneer iemand een huis gaat bezichtigen dat zonnepanelen op het dak heeft, een bod doet dat geaccepteerd wordt en vervolgens bij de levering ontdekt dat alle zonnepanelen van het dak verwijderd zijn, omdat de verkoper deze meeneemt naar zijn of haar nieuwe huis, zal diegene toch raar staan te kijken. Daarbij is mijns inziens de casus van het arrest Dépex/Curatoren, waarbij het ging om de vraag of een machine bestanddeel was van een fabrieksgebouw, toch anders dan de vraag of een zonnepaneel bestanddeel is van een huis. Een zonnepaneel geplaatst op het dak van een woning, is dienstbaar aan de woning, ongeacht wie er in woont. De machine was niet dienstbaar aan het gebouw, maar aan het productieproces dat gevoerd werd in het desbetreffende gebouw.
Nierop stelt dat niet fysiek geïntegreerde zonnepanelen ‘onder omstandigheden’ wel op basis van de verkeersopvatting als bestanddeel aan te merken zijn.6 Hij bespreekt niet wanneer dit dan het geval is. Wel verwijst hij naar een arrest van de Hoge Raad uit 19537, waarin geoordeeld werd dat de verwarmingsinstallatie en de licht- en krachtleidingen als bestanddeel moeten worden beschouwd.8 Ook naar huidig recht zullen een verwarmingsinstallatie en de licht- en krachtleidingen naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van het gebouw waarin zij geplaatst zijn. Hetzelfde dient mijns inziens te gelden voor zonnepanelen.