Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.4.4
II.6.4.4.4 Kredietelement in huurkoop en financiële lease
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492980:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Hilten 1992, p. 53.
HvJ 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18 (EON Aset Menidjmunt).
Vgl. M.E. van Hilten, ‘Cross-border leasing van roerende goederen in de omzetbelasting’, in: M. Gabriël & R. Luja, De toekomst van de btw, Deventer: Kluwer 2011, p. 93-102.
R.o. 38.
Voor de Nederlandse praktijk heeft de staatssecretaris van Financiën verder in een beleidsbesluit in meer detail uiteengezet onder welke voorwaarden een lease een financiële lease is die direct tot de levering van een goed leidt: Besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, V-N 2007/11.13.
Besluit van 30 juni 1997, nr. VB97/1567, V-N 1997, p. 2602, punt 14, par. 3.1; Besluit van 25 januari 2007, nr. CPP2006/2847M, V-N 2007/11.13, onderdeel 3.4.1. Bij de toepassing van het kasstelsel (artikel 26 Wet OB 1968) leidt de niet-verschuldigdheid van omzetbelasting over de rente-elementen overigens tot een extra financieringsvoordeel voor belastingplichtigen. De omzetbelasting over de prijs van de geleverde goederen of de verrichte diensten is immers pas later verschuldigd.
Huurkoop en financiële lease staan dichtbij uitstel van betaling. Het verschil is vooral dat bij huurkoop en financiële lease de privaatrechtelijke eigendom gedurende de looptijd van het contract bij de verkoper respectievelijk lessor berust. Desondanks kan voor de heffing van omzetbelasting aanleiding bestaan ook bij huurkoop en financiële lease vanaf het eerste moment een levering aan te nemen (of een eenmalige dienst, als het om een immaterieel activum gaat). Vanuit het perspectief van de Wet OB 1968 bestaat dan geen wezenlijk verschil meer met uitstel van betaling; de huurkoper of lessee wordt geacht direct de (economische) eigendom te verkrijgen en mag daarvoor in termijnen betalen.1
Voor huurkoop is in artikel 3, lid 1, onderdeel b, Wet OB 1968 (artikel 14, lid 2, onderdeel b, Btw-richtlijn) expliciet bepaald dat de afgifte van goederen reeds de levering is. Bij financiële lease ligt het wettelijk bezien minder duidelijk, maar volgt uit de jurisprudentie dat onder omstandigheden eveneens direct sprake kan zijn van een levering (of eenmalige dienst). De volgende overweging van het Hof van Justitie in de zaak EON Aset Menidjmunt verduidelijkt dit:2
‘40. (…) wanneer de leaseovereenkomst (…) bepaalt dat aan het einde van die overeenkomst de eigendom van [het goed] overgaat op de leasingnemer, of dat de leasingnemer alsdan beschikt over wezenlijke attributen van de eigendom van [het goed], met name omdat het merendeel van de aan de juridische eigendom verbonden voordelen en risico’s op hem overgaat en de geactualiseerde optelsom van de termijnen praktisch gelijk is aan de verkoopwaarde van het goed, [dan dient] de handeling te worden gelijkgesteld aan de verkrijging van een [goed].’
In deze overweging geeft het Hof van Justitie aan dat zich bij leases in twee gevallen een levering van goederen voordoet. Ten eerste is sprake van een levering als de leaseovereenkomst bepaalt dat de lessee bij het aflopen van de overeenkomst de (juridische) eigendom van het geleasete goed verkrijgt. In die situaties kan de vraag gesteld worden of eigenlijk niet rechtstreeks sprake is van huurkoop.3 Ten tweede is sprake van een levering als de lease bewerkstelligt dat de ‘wezenlijke attributen van eigendom’ bij de lessee komen te berusten. Daarbij speelt met name – en dus niet uitsluitend – een rol of het merendeel van de voordelen en risico’s bij de lessee komen te berusten en of de contant gemaakte leasetermijnen ongeveer gelijk zijn aan de verkoopwaarde van het goed. Het Hof van Justitie lijkt in zijn beoordeling van de lease in de zaak EON Aset Menidjmunt verder aan te knopen bij IAS 17 (zie ook par. 6.3.3). 4 Uit die aansluiting kan voorzichtig worden afgeleid dat beoordeling van leaseovereenkomsten voor IFRS-jaarrekeningen en de omzetbelasting gelijk is of althans vergelijkbaar. Het Hof van Justitie trekt die conclusie zelf niet expliciet.5
In relatie tot het onderkennen van kredietverlening bij huurkoop en financiële leases gaat het er vooral om of in de termijnen vergoedingen voor krediet zijn af te zonderen. In het licht van het arrest in de zaak Muys & De Winter zou dat in ieder geval moeten kunnen als partijen een afzonderlijke vergoeding voor de gespreide betaling afspreken. De staatssecretaris van Financiën volgt deze lijn ook min of meer in zijn beleid. Hij acht evenwel een rente ‘die [is] berekend over een bepaalde periode en op grond van een specifiek overeengekomen rentepercentage’ een vereiste. Zoals hiervoor in paragraaf 6.4.3.2 uiteengezet, zijn bij deze laatste voorwaarde vraagtekens te plaatsen.6