Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.6.4.4.3
II.6.4.4.3 Vooruitbetaling/afnemerskrediet
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495357:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Hilten 1992, p. 64. Hier is sprake van een duidelijk verschil met uitstel van betaling, hetgeen in beginsel geen verandering brengt in het moment van het verschuldigd worden van de belasting.
HR 2 oktober 1996, BNB 1996/394 (m.nt. J.M.F. Finkensieper); HR 28 maart 2001, BNB 2001/296 (concl. A-G Van den Berge; m.nt. B.G. van Zadelhoff).
HvJ 21 februari 2006, zaak C-419/02, BNB 2006/172 (concl. A-G Poiares Maduro; BUPAHospitals; m.nt. Bijl).
Zie het dictum.
Zie ook A-G Jacobs, conclusie bij: HvJ 27 oktober 1993, zaak C-281/91, BNB 1994/95 (concl. A-G Jacobs; Muys & De Winter; m.nt. J.M.F. Finkensieper; FED 1994/35; m.aant. D.B. Bijl), punt 15.
Het spiegelbeeld van uitstel van betaling is de vooruitbetaling, ook wel afnemerskrediet genoemd. Ook dit kan een verlening van krediet zijn voor de heffing van omzetbelasting, maar niet als het gaat om vooruitbetalingen die op basis van artikel 13, lid 2, Wet OB 1968 (artikel 65 Btw-richtlijn) tot een vervroegd moment van verschuldigdheid van de belasting leiden. Het vervroegde moment van verschuldigdheid sluit naar mijn mening een verlening van krediet uit.1 Daarin ligt namelijk besloten dat de vooruitbetaling (bij fictie) alvast heeft te gelden als betaling voor de onderliggende prestatie en niet als verlening van krediet die bij voltooiing van die prestatie wordt verrekend met de betalingsverplichting daarvoor. Ook overigens is voor twijfel vatbaar of het eventuele kredietelement in een vooruitbetaling werkelijk een prestatie is van de afnemer aan zijn leverancier. Zo is op basis van de lease-fundingarresten van de Hoge Raad verdedigbaar dat de afnemer in wezen minder afneemt van zijn leverancier door zelf de financiering te verschaffen voor de voortbrenging van hetgeen hij wenst te verkrijgen.2
In de zaak BUPA Hospitals heeft het Hof van Justitie beslist dat een vooruitbetaling in de zin van artikel 65 Btw-richtlijn (artikel 13, lid 2, Wet OB 1968) zich voordoet bij een betaling voor in de toekomst te ontvangen goederen of diensten welke nauwkeurig zijn omschreven op het moment van betalen.3 Een betaling ‘voor goederen die algemeen zijn omschreven op een lijst die te allen tijde met wederzijds goedvinden van de koper en de verkoper kan worden gewijzigd en aan de hand waarvan de koper de artikelen eventueel zal kunnen kiezen, op basis van een overeenkomst die hij te allen tijde eenzijdig kan opzeggen onder terugvordering van alle nog niet bestede vooruitbetalingen’, is geen vooruitbetaling.4 De vooruitbetaling moet dus scherp worden onderscheiden van een betaling die een geldschuld bij de ontvanger doet ontstaan. In dat geval is wel sprake van uitlenen van geld (zie par. 6.4.2).
Hier kan nog aan worden toegevoegd dat het begrip ‘vooruitbetaling’ in artikel 65 Btw-richtlijn onderscheidenlijk artikel 79, aanhef en onderdeel a, Btw-richtlijn verschillende betekenissen heeft. De vooruitbetaling van artikel 79, aanhef en onderdeel a, Btw-richtlijn betreft het fenomeen dat in Nederland bekendstaat als korting voor contante betaling: een betaling die (ruim) binnen de betaaltermijn van een factuur geschiedt (artikel 8, lid 5, onderdeel a, Wet OB 1968; zie nader par. 6.4.4.2). 5 De vooruitbetaling van artikel 65 Btw-richtlijn vindt daarentegen plaats voordat een prestatie is verricht (artikel 13, lid 2, Wet OB 1968). In andere taalversies van de Btw-richtlijn blijkt het verschil duidelijker. De ‘artikel 79-vooruitbetaling’ is een Vorauszahlung, een early payment en een paiement anticipé, terwijl de vooruitbetalingen van artikel 65 Btw-richtlijn Anzahlungen, payments on account en versements d’acomptes zijn in de Duitse, Engelse respectievelijk Franse taalversie.