Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/196:196 Het arrest Van den Bergh/Van der Walle en ABN AMRO
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/196
196 Het arrest Van den Bergh/Van der Walle en ABN AMRO
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-10-2025
- Datum
10-10-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD26642:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338 m.nt. A. van Hees, NJ 2006, 14 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2004/68 m.nt. A.W. Jongbloed (Van den Bergh/Van der Walle en ABN AMRO).
Vgl. Verdaas 2005a, p. 247.
Beekhoven van den Boezem 2005, p. 222.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Steun voor de in deze paragraaf bepleite enge uitleg van het vereiste ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ van art. 475 Rv en de ruime uitleg van hetzelfde vereiste in art. 3:239 lid 1 BW ontleen ik aan het arrest van de Hoge Raad waarin hij oordeelde dat beslag op kredietruimte niet mogelijk is.1 In dat arrest overweegt de Hoge Raad dat een toekomstige vordering van een kredietnemer op zijn bank uit een kredietovereenkomst een vordering is die zijn onmiddellijke grondslag vindt in een bestaande rechtsverhouding. Zoals gezegd is dit het - ruime - vereiste aan de hand waarvan naar oud recht werd bepaald of een toekomstige vordering vatbaar was voor cessie en heeft dit vereiste dezelfde betekenis als het huidige ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ in art. 3:239 lid 1 BW.
In hetzelfde arrest wijst de Hoge Raad beslag op een dergelijke vordering af, onder meer op grond van de hiervoor besproken overwegingen in de wetsgeschiedenis die voor de wetgever aanleiding waren om beslag op toekomstige vorderingen slechts beperkt mogelijk te maken door dit te beperken tot beslag op vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding. Hoewel de Hoge Raad zulks niet expliciet overweegt, is dit mijns inziens een aanwijzing dat de Hoge Raad het ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ in art. 475 Rv enger uitlegt dan het ‘rechtstreeks voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding’ in art. 3:239 lid 1 BW.2
M.B. Beekhoven van den Boezem verklaart de tegenstelling tussen enerzijds de overweging van de Hoge Raad dat de betreffende vordering zijn onmiddellijke grondslag vindt in een bestaande rechtsverhouding en anderzijds het oordeel van de Hoge Raad dat deze niet vatbaar is voor beslag hierdoor dat de Hoge Raad het vereiste uit art. 475 Rv niet toepast.3 Deze verklaring komt mij onwaarschijnlijk voor, omdat het niet voor de hand ligt dat de Hoge Raad een norm die duidelijk voor het voorliggende geval bedoeld is niet toepast en het nog minder voor de hand ligt dat de Hoge Raad dat zou doen zonder zulks te motiveren.