Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/2.3.2
2.3.2 Nederlands recht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452045:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder ook begrepen de algemeenheid van zaken. Het verschil tussen de algemeenheid van goederen en de algemeenheid van zaken is dat de eerste (ook) andere goederen dan zaken omvat en de laatste slechts zaken.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318; Fesevur 2005, p. 30; Hartkamp 2005, nr. 46; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Ploeger 1997, nr. 24-25; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59.
Ondanks dat in de art. 568 e.v., 601 en 606 BW (oud) de algemeenheid van roerende zaken nog voorkwam, werd de algemeenheid (vaak impliciet) niet als object beschouwd. Asser/Beekhuis 1957, p. 47-48; Asser/Scholten 1927, p. 9; Asser/ Scholten 1945, p. 9-10; Land 1901, p. 27, voetnoot 3; Meijers 1948, p. 140; Pitlo/ Brahn 1987, p. 18-19; Suijling 1940, nr. 54. Diephuis schrijft in Diephuis 3 1857, p. 10 en 17, nog dat algemeenheden van zaken zelf ook zaken zijn en aldus voorwerp van recht en beschikking zijn, maar lijkt hier in Diephuis 1 1885, p. 450 e.v., op terug te zijn gekomen; het gaat om rechten op de afzonderlijke zaken, niet op het geheel dat wij als algemeenheid betitelen. Asser 1896, p. 22, zegt niet met zoveel woorden dat de algemeenheid geen rechtsobject is, maar geeft aan dat het gaat om afzonderlijke zaken die als één geheel worden samengevat. Daarentegen meent hij ook dat de onderdelen in sommige opzichten als een enkelvoudige zaak worden beschouwd. Zie voorts De Ruiter 1963, p. 39-42 over de algemeenheid binnen de literatuur over het BW van 1838.
Ook in het belastingrecht is de term van belang, zie art. 37d van de Wet op de omzetbelasting. In paragraaf 3.3.2 zullen we zien dat de term in art. 3:222 BW ook nog voorkomt.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74-75; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318; Bartels & Timmerman 2006; Fesevur 2005, p. 30-31; Meijers 1948, p. 140; Molenaar 1991, nr. 20; Pitlo/Brahn 1987, p. 18-19; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Ploeger 1997, nr. 24-25; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59; Steneker 2005, p. 97; Van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:80, aant. 24 (online, laatst bijgewerkt op 1 mei 2013); Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83, aant. 10.3.9 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2012); Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:240,aant. 9 (online, laatst bijgewerkt op 30 oktober 2013). Vgl. ook De Groot 2002.
Zie hierover uitgebreid De Ruiter 1963.
Wel geeft Meijers aan dat met het oog op de bijzondere rechtsgevolgen die soms in het Ontwerp-Meijers aan de algemeenheid van goederen worden verbonden als verzwaring van de leveringsvereisten een akte voor levering van de algemeenheid is vereist, Parl. Gesch. Boek 3, p. 99, p. 400; Meijers 1948, p. 140.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 399-400.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 399.
De Ruiter 1963, p. 78-79 en 82-83.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 400.
Aldus ook De Ruiter 1963, p. 82. Zie de TM in Parl. Gesch. Boek 3, p. 400: “De algemeenheid kan niet in haar geheel als één goed […] worden overgedragen, maar voor een overdracht der algemeenheid is nodig, dat ieder bestanddeel op zijn eigen wijze wordt geleverd.”
Paragraaf 3.3.2.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 99, vgl. ook p. 307; De Ruiter 1963, p. 58.
Zie onder andere Hammerstein 1977, p. 80 e.v.; Lubbers 1966, p. 149-150; Molenaar 1973, p. 60-61; Polak 1960, p. 166; De Ruiter 1963. Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 400-401 voor kritiek vanuit de Tweede Kamer.
De Ruiter 1963, p. 42.
De Ruiter 1963, p. 120.
Hammerstein 1977, p. 82.
Vgl. Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83, aant. 10.1, 10.3.9 (online, laatst bijgewerkt op 1 september 2012).
Hartkamp 2010, nr. 10.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 64.
Zie over het beginsel van vrije overdraagbaarheid Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 210; Parl. Gesch. Boek 3, p. 315; Reehuis 2010, nr. 10; Van Velten jr. 2015.
Vgl. Meijers 1948, p. 140.
De cursivering in de gegeven voorbeelden is telkens aangebracht door mijzelf.
Het is denkbaar dat afzonderlijke levering desalniettemin leidt tot één recht op meer objecten. Dit is echter niet erg voor de hand liggend en ik zie afzonderlijke levering daarom als een sterke aanwijzing dat het uniciteitsbeginsel wordt gehanteerd.
Dergelijke bepalingen zouden ook hun waarde kunnen hebben wanneer niet uitgegaan zou worden van uniciteit, doordat zij dan de eigendom zouden toewijzen aan dezelfde eigenaar, ook al zou niet één object gevormd worden onder het ene eigendomsrecht. Desalniettemin laten deze bepalingen zien dat de afbakening van wat een zaak is, van belang is in het Nederlandse BW, hetgeen minder van belang zou zijn indien één eigendomsrecht op verschillende zaken tezamen zou kunnen bestaan, die daardoor niet meer afzonderlijk overdraagbaar zouden zijn.
Zie art. 24 lid 4 Kadw.
Zie Bartels & Timmerman 2006. Ik kom hier nog op terug in paragraaf 5.3. Uit art. 520 Rv blijkt dat voor onroerende zaken afzonderlijke verkoop hoofdregel is, gezamenlijke verkoop uitzondering.
Vgl. Wolf 1965, p. 42-45.
Terwijl de (on)mogelijkheid van meer rechten op één goed wél aan de orde komt in het (systeem van het) BW, in die zin dat het mogelijk is om beperkte rechten te vestigen, rechten op bestanddelen daarentegen niet bestaanbaar zijn en er maar één eigendomsrecht tegelijk op een zaak kan rusten.
Vgl. Meijers 1948, p. 136 e.v., die het alleen zinvol acht een algemeenheid als rechtsobject te zien indien dit gevolgen heeft voor de overdraagbaarheid (en uitwinbaarheid) van de afzonderlijke goederen, indien er regels bestaan voor de vervreemding en bezwaring van het geheel, die afwijken van de regels die gelden voor de delen en indien de algemeenheid kan worden onderscheiden van het overige vermogen van de rechthebbende, vgl. De Ruiter 1963, p. 54.
Zoals bijvoorbeeld bestanddelen dat niet zijn, aangezien zij geen zelfstandige zaken zijn, zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 102.
Uit de hoofdstukken 3 tot en met 8 zal blijken dat uitzonderingen op dit uitgangspunt voorkomen.
17. In het Nederlandse recht wordt de algemeenheid van goederen1 niet als rechtsobject erkend. Het goederenrecht draait om de goederen uit art. 3:1 BW: de zaken en de vermogensrechten. Alleen over die objecten kunnen we beschikken – en alleen op afzonderlijke goederen kunnen we die sterke, absolute en exclusieve goederenrechtelijke rechten hebben. Een algemeenheid van goederen is in het Nederlandse recht per definitie geen goed, maar juist een samenstel van goederen.2
Het gegeven dat in het goederenrecht de algemeenheid van goederen niet wordt erkend, is in de literatuur algemeen aanvaard. In de handboeken over goederenrecht – ook die onder het oude BW3 – en in andere goederenrechtelijke literatuur wordt steevast uiteengezet dat de algemeenheid van goederen goederenrechtelijk geen betekenis heeft. Daar wordt veelal aan toegevoegd dat de term verbintenisrechtelijk wel van betekenis kan zijn en dat de term dienst kan doen om rechtsfiguren als de nalatenschap, de huwelijksgemeenschap, het vermogen of de onderneming aan te duiden.4 Ook wordt duidelijk gemaakt dat bij overdracht van de algemeenheid of vestiging van beperkte rechten hierop, levering van respectievelijk vestiging op de afzonderlijke tot de algemeenheid behorende goederen vereist is.5 “[E]en algemeenheid is geen ‘goed’ en alleen op een goed kan een beperkt recht worden gevestigd.”6
18. Dat in de literatuur vol overtuiging gezegd kan worden dat ons goederenrecht de algemeenheid van goederen niet erkent, komt onder meer doordat de algemeenheid van goederen oorspronkelijk in het Ontwerp- Meijers voor het BW wél voorkwam. Uiteindelijk is de algemeenheid van goederen echter bewust niet ingevoerd. Bovendien, al zou de algemeenheid van goederen ingevoerd worden zoals zij in het Ontwerp-Meijers was voorzien, ook dan was zij geen rechtsobject. Ik zal dit toelichten.7
In art. 3.1.1.11 van het Ontwerp-Meijers (OM) werd de algemeenheid van goederen gedefinieerd. Een duidelijke reden voor erkenning van de algemeenheid van goederen wordt in de Toelichting-Meijers niet gegeven.8 De Toelichting-Meijers geeft aan dat de gevolgen van kwalificatie tot algemeenheid van goederen beperkt zijn. Het voor dit onderzoek meest belangrijke gevolg was neergelegd in art. 3.4.2.9 lid 3 OM: de omstandigheid dat enige onderdelen der algemeenheid van goederen niet zijn geleverd, belet de overgang van de algemeenheid niet, mits slechts haar hoofdbestanddelen zijn geleverd.9
Enerzijds blijkt hieruit dat de algemeenheid van goederen in zekere zin als eenheid werd behandeld; zijn de hoofdbestanddelen geleverd, dan gaat de gehele algemeenheid over. Anderzijds blijkt dat levering van de afzonderlijke bestanddelen van de algemeenheid nog steeds noodzakelijk was voor overdracht ervan. Art. 3.4.2.9 OM bepaalde in overeenstemming met deze gedachte dat voor levering van een algemeenheid van goederen een akte was vereist (lid 1) en dat de afzonderlijke tot de algemeenheid behorende goederen niet op de verkrijger over zouden gaan zolang zij niet op de voor ieder van die goederen bepaalde wijze zouden worden geleverd (lid 2).10
Het lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig dat art. 3.4.2.9 lid 3 OM bepaalt dat de algemeenheid reeds overgaat indien de hoofdbestanddelen geleverd zijn, terwijl lid 2 van hetzelfde artikel bepaalt dat de afzonderlijke goederen pas op de verkrijger overgaan, indien zij afzonderlijk worden geleverd. Uit de Toelichting-Meijers blijkt echter dat elders in het Ontwerp-Meijers rechtsgevolgen verbonden zijn aan het al dan niet overgegaan zijn van de algemeenheid, waardoor de vraag rijst wanneer de algemeenheid is overgegaan; indien alle bestanddelen11 zijn overgegaan, of eerder al?12 Meijers achtte het voldoende dat in dergelijke gevallen de meest belangrijke en kenmerkende bestanddelen zijn overgegaan.13 ‘Overgang’ in de zin van het derde lid van art. 3.4.2.9 OM moet daarom niet opgevat worden als eigendomsovergang; het is niet zo dat men bij eigendomsoverdracht van de hoofdbestanddelen ook automatisch de eigendom van de overige bestanddelen zou verkrijgen, daarvoor is, zoals lid 2 van dat artikel bepaalde, levering en overdracht van alle afzonderlijke bestanddelen vereist.14 Bij de behandeling van het vruchtgebruik van een algemeenheid zoals dit nog in art. 3:222 BW is te vinden, zal ik hier op terugkomen.15
Het voorgaande maakt duidelijk dat de algemeenheid van goederen ook in het Ontwerp-Meijers niet als één rechtsobject werd erkend. De afzonderlijke bestanddelen van de algemeenheid bleven voorop staan. In de Toelichting-Meijers was dan ook te lezen: “[n]immer […] dient de algemeenheid als een afzonderlijk goed in die zin te worden erkend, dat zij bij één handeling zonder op de haar samenstellende delen te letten kan worden overgedragen.”16
19. Het is niet verwonderlijk dat op deze voorgenomen regeling van de algemeenheid van goederen kritiek is gekomen.17 In zijn proefschrift analyseert De Ruiter het begrip algemeenheid van goederen en komt tot de conclusie dat er weinig behoefte is aan een in de wet neergelegd begrip van de algemeenheid van goederen.18 Zeker niet op de wijze waarop dit in het Ontwerp-Meijers is geschied. Doordat de algemeenheid van goederen in het Ontwerp-Meijers niet als zelfstandig goed behandeld wordt, heeft het begrip van de algemeenheid van goederen naar mening van De Ruiter weinig betekenis. Ook in zijn specifieke toepassingen zoals deze in het Ontwerp-Meijers zijn neergelegd, is het geen bruikbaar begrip; het leidt niet tot een overzichtelijke weergave van de rechtsstof. Het is naar mening van De Ruiter beter het begrip niet in een nieuw BW op te nemen.19
Het lijkt er op dat de wetgever aan deze oproep gehoor heeft gegeven.20 Bij de ‘operatie stofkam’ in 1983 werd besloten de algemeenheid van goederen niet op te nemen in het BW. De summiere argumentatie die hiervoor gegeven wordt, lijkt een echo van de opvatting van De Ruiter: er zou weinig behoefte aan bestaan vanuit de praktijk, aangezien zich onder het oude BW geen rechtspraak of doctrine op dit punt had ontwikkeld. Bovendien voegde de regeling van de algemeenheid van goederen weinig toe, zo merkte de minister op.21
De algemeenheid van goederen is door de wetgever gewogen en te licht bevonden. De mogelijkheid de algemeenheid van goederen in te voeren als rechtsobject blijkt zelfs in het geheel nooit aan de orde te zijn geweest. Niet alleen de literatuur erkent de algemeenheid van goederen niet, maar ook blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het niet de bedoelding van de wetgever is geweest de algemeenheid van goederen als rechtsobject te beschouwen.
20. In het systeem van de wet is het goed het centrale rechtsobject.22 Er lijkt niet te zijn stilgestaan bij de mogelijkheid van één recht op meer goederen tezamen, of in ieder geval worden geen bijzondere rechtsgevolgen aan die situatie toegekend. Dit is in lijn met het uitsluitend erkennen van afzonderlijke goederen als rechtsobject. Uit het feit dat het begrip goed opgenomen is in het eerste artikel van Boek 3, blijkt reeds dat dit begrip in het vervolg van het wetboek centraal zal staan. Het BW kent immers een gelaagde structuur en begint met de meest fundamentele begrippen, waarna het vervolg van het wetboek daarop voortbouwt. Dit geldt niet alleen voor de boeken, maar ook voor de titels en afdelingen binnen de boeken.23 De begripsbepaling goed is bovendien zeer bewust als eerste bepaling in art. 3:1 BW opgenomen. In het Ontwerp-Meijers was zij pas als achtste artikel van Boek 3 voorzien, maar dit werd vanuit systematisch oogpunt onwenselijk geacht. Het begrip goed is het genusbegrip voor alle vermogensbestanddelen, waarvan de zaken en vermogensrechten de species vormen, en deze indeling vormt het grondpatroon voor de verdere behandeling van het vermogensrecht.24
Ook in het vervolg van Boek 3 en in Boek 5 blijkt uit de diverse wetsbepalingen dat het begrip goed (al dan niet via het begrip zaak) centraal staat. Ten eerste wijs ik op de overdraagbaarheid van goederen.25 Uit het feit dat art. 3:83 lid 1 BW bepaalt dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, vloeit voort dat zij ook afzonderlijk overdraagbaar zijn. Het tegendeel zou immers inhouden dat het goed niet vrijelijk overdraagbaar is, maar slechts in combinatie met een ander goed.26 Ten tweede wordt het beeld dat het goed centraal staat, bevestigd door art. 3:84 lid 1 BW: “[v]oor overdracht van een goed is vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over hetgoed te beschikken.”27 En ook bij de levering staan de goederen centraal. Uit de artikelen 3:89 e.v. BW blijkt dat de leveringsvereisten telkens zien op afzonderlijke goederen. Uit paragraaf 5.2 zal nog blijken dat de inschrijving van registergoederen per goed afzonderlijk raadpleegbaar is in het register. Ook bezitsverschaffing geschiedt noodzakelijkerwijs individueel.28 Met betrekking tot de zaken blijkt ten slotte uit diverse bepalingen dat het van belang is om te bepalen wat één zaak is (wat dus een afzonderlijke en zelfstandige zaak is) zie de art. 4:3, 5:3 en 5:14 e.v. BW.29
Bij de beperkte rechten is hetzelfde beeld te zien. De rechten van pand en hypotheek geven recht op parate executie. Art. 3:248 lid 1 BW bepaalt: “[w]anneer de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot waarborg strekt, is de pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en het hem verschuldigde op de opbrengst te verhalen.” Zo bepaalt art. 3:268 lid 1 BW ten aanzien van de hypotheek dat de hypotheekhouder bevoegd is het verbonden goed in het openbaar te verkopen. Ook al zijn dus meerdere goederen in één akte verhypothekeerd,30 uiteindelijk blijft het mogelijk de goederen afzonderlijk te executeren.31
Ook blijkt bijvoorbeeld uit de bepalingen over erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal dat het de afzonderlijke zaken zijn die centraal staan, met name uit de gebruikte bewoordingen in de wet. Art. 5:70 lid 1 BW: “[e]rfdienstbaarheid is een last, waarmede een onroerende zaak […] is bezwaard.” Art. 5:85 lid 1 BW: “[e]rfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken.” Art. 5:101 BW: “Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.”
Ondanks deze structuur en bewoordingen van de wet zou het niettemin tóch mogelijk kunnen zijn dat er één recht op meerdere goederen kan bestaan. Wellicht is omwille van de duidelijkheid overal in de wet het enkelvoud gebruikt, ook in de omschrijving van het begrip goed, maar kan één goederenrechtelijk recht ook op meerdere goederen zien (zolang het maar geen algemeenheid als object betreft, want dat object is bewust niet ingevoerd).32 Voor de hand ligt dit echter niet. Vanwege de systematische opbouw van het BW mag aangenomen worden dat het centraal stellen van het begrip goed inhoudt dat het daarbij telkens gaat om rechten op afzonderlijke goederen.
21. Bovendien hecht ik waarde aan het feit dat, zoals gezegd, de wet nergens een regeling inhoudt voor het geval er één goederenrechtelijk recht op meerdere goederen zou rusten.33 Indien het mogelijk zou zijn om één recht op meerdere goederen te hebben, had het voor de hand gelegen dat bepaald zou worden wat hier de gevolgen van zouden zijn.34 Betekent dit bijvoorbeeld dat de goederen niet meer afzonderlijk overdraagbaar zijn?35 Krijgt men op een andere manier bevoegdheden die alleen betrekking hebben op die goederen tezamen, en niet afzonderlijk? Een dergelijke algemene regeling ontbreekt in ons BW.36 Tegengeworpen zou kunnen worden dat één recht op meerdere goederen tegelijk wel mogelijk is, maar dat daar geen bijzondere rechtsgevolgen uit voortvloeien. In dat geval acht ik het echter weinig zinvol te spreken van één recht op meerdere goederen, zeker nu het systeem van het BW daar niet op ingericht lijkt te zijn.
Uit het niet erkennen van de algemeenheid als object, maar het systematisch centraal stellen van het goed als object blijkt naar mijn mening dat de wet in beginsel geen rekening houdt met het bestaan van rechten op meer goederen tegelijk. Nu er in het BW voorts geen gevolgen aan te wijzen zijn voor het hebben van één recht op meerdere goederen, is dit nóg een aanwijzing dat dit ook niet mogelijk is. Er schijnt simpelweg geen rekening gehouden te zijn met deze situatie. De conclusie moet luiden dat het BW in het goederenrecht uniciteit als uitgangspunt hanteert.