Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.5:7.5 De casus
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.5
7.5 De casus
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484318:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
We gaan terug naar de casus. A heeft een stuk grond in eigendom. A is (ten onrechte) in de veronderstelling dat zijn eigendomsrecht zich mede uitstrekt over een strook grond, die hij wel in bezit heeft, maar die juridisch in eigendom toebehoort aan buurman B. Zowel A als B hebben een recht van hypotheek gevestigd op hun grond. A verkrijgt door verjaring de eigendom van de strook grond.
Heyman en Bartels stellen hieromtrent het volgende:
“Omgekeerd zal de hypotheek die A na inbezitneming maar vóór voltooiing van de verjaringstermijn vestigt op het gehele perceel, dus inclusief het geoccupeerde deel van B, na voltooiing van de verjaring van rechtswege komen te rusten op het in bezit genomen gedeelte. Dit volgt – althans kan volgen – uit art. 3:58 BW (bekrachtiging) en uit de terugwerkende kracht van verjaring.”1
Het citaat lijkt te duiden op samenloop: het volgt uit bekrachtiging en de terugwerkende kracht van verjaring. Zoals in dit hoofdstuk uiteen is gezet, deel ik deze stelling niet. Indien verjaring immers terugwerkende kracht heeft, is de figuur van bekrachtiging overbodig om tot het resultaat te komen dat het hypotheekrecht dat A vestigde ten gunste van de bank (gedurende de verjaringstermijn) zich mede uit gaat strekken over hetgeen door verjaring verkregen is. Het kan niet volgen uit bekrachtiging en de terugwerkende kracht van verjaring.
In het bovenstaande heb ik uiteengezet dat er mijns inziens (te) weinig argumenten zijn om terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring aan te nemen. Als belangrijkste argument vóór het aannemen van terugwerkende kracht van verkrijging door verjaring kan genoemd worden dat het de meest wenselijke uitkomst in het voorbeeld van A is, dat ook hetgeen hij verkreeg door verjaring, bezwaard is met het recht van hypotheek (dat hij vestigde gedurende de verjaringstermijn). Indien dit namelijk niet het geval is, zou het kunnen zijn dat wanneer A niet voldoet aan zijn verplichtingen ten opzichte van de bank en de bank tot executie overgaat, hetgeen A door verjaring verkregen heeft niet mede geëxecuteerd kan worden. Na executie zou A in dat geval nog de eigendom hebben van de strook grond, die op het oog bij het grondstuk zal lijken te horen (anders zal immers van bezit geen sprake zijn geweest). Dit lijkt mij een onwenselijke versnippering.
Het aannemen van terugwerkende kracht bij verkrijging door verjaring is echter niet nodig om dit resultaat te bereiken. Hiervoor geldt de regeling omtrent bekrachtiging. A was gedurende de verjaringstermijn niet beschikkingsbevoegd om het gedeelte waarvan hij enkel het bezit had (en niet de eigendom) te bezwaren met een recht van hypotheek. Na afloop van de verjaringstermijn verkrijgt A de eigendom van de strook grond. Hierdoor wordt hij beschikkingsbevoegd en wordt een wettelijk vereiste vervuld dat ontbrak voor een geldige vestiging op het door verjaring verkregene en wordt voldaan aan de vereisten van bekrachtiging (art. 3:58 BW).2 Bekrachtiging heeft terugwerkende kracht. Hierdoor was A met terugwerkende kracht beschikkingsbevoegd het door verjaring verkregene te bezwaren en valt dit gedeelte onder het hypotheekrecht van de bank.
Goederenrechtelijk gebeurt hierdoor iets interessants. Zoals in het voorgaande hoofdstuk uiteen is gezet, wordt de eigendomsgrens van een grondstuk bepaald door de rechtstoestand. A verkrijgt de eigendom van de grond door verjaring. Het hypotheekrecht rust echter met terugwerkende kracht op het verkregene. Doordat het hypotheekrecht zich mede uit gaat strekken over het door verjaring verkregene, geldt hetzelfde voor het onderliggende eigendomsrecht. Het door verjaring verkregen eigendomsrecht wordt nagetrokken door het oorspronkelijke eigendomsrecht van A. Het hypotheekrecht strekt zich immers op grond van art. 3:227 lid 2 BW uit over al hetgeen de eigendom omvat. Dit levert een situatie op die spiegelbeeldig is aan hetgeen in het voorgaande hoofdstuk besproken wordt, in die zin dat in dit geval het onderliggende eigendomsrecht het door verjaring verkregen gaat omvatten, omdat het hypotheekrecht door bekrachtiging met terugwerkende kracht ook hetgeen door verjaring verkregen wordt, omvat.