Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.6.1.1
4.6.1.1 Het pleitbare standpunt als verweer tegen het bewijs van kwade trouw
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567443:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 juni 1999, BNB 1999/300, r.o. 3.7;HR 4 oktober 2002, BNB 2003/84, ECLI:NL:HR:2002:AE8365, r.o. 4.3. J.A. Smit ging er in ‘Navordering en boete bij kwade trouw’, MBB 1994/11, p. 366 van uit dat het pleitbare standpunt steeds tot het ontbreken van kwade trouw zou leiden.
Hof ’s-Gravenhage 16 oktober 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AV5860, r.o. 6.2. Het betrof hier een onjuiste mededeling in de bij de aangifte als bijlage gevoegde jaarrekening dat na de balansdatum geen gebeurtenissen met belangrijke en buitengewone financiële gevolgen hadden plaatsgevonden.
HR 20 december 2002, BNB 2003/95, ECLI:NL:HR:2002:AF2262, r.o. 3.3.: “(…) dat het Hof niet van belang heeft geoordeeld dat belanghebbende mogelijk heeft gemeend dat haar standpunt omtrent de fiscale gevolgen (…) in redelijkheid pleitbaar was. Daaraan ligt klaarblijkelijk de – juiste – opvatting ten grondslag dat indien een belastingplichtige aan de inspecteur opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt teneinde de beoordeling door de inspecteur van de juistheid van de aangifte te bemoeilijken, hij te kwader trouw heeft gehandeld.”
HR 17 december 2004, BNB 2005/105, ECLI:NL:HR:2004:AP5230, r.o. 3.4. A-G Overgaauw overweegt in r.o. 2.14: “Bij dat oordeel acht het Hof het subjectieve – en niet op voorhand als volstrekt onverdedigbaar aan te merken – standpunt (…) van belang. De verwijzing naar de – subjectieve – pleitbaarheid van het standpunt van belanghebbende acht ik alleen dan juist als het Hof daarmee tot uitdrukking wil brengen dat (ook) belanghebbende uitging van een onjuist inzicht in de feitelijke situatie (…). De aanwezigheid van ‘kwade intentie’ – kwade trouw dus – bij de belastingplichtige veronderstelt (…) namelijk de aanwezigheid van een juist inzicht – dus zekerheid betreffende de feiten – dat verdraaid en daarmee onjuist wordt gepresenteerd aan de inspecteur”.
Zoals eerder opgemerkt sluit ik echter ook niet uit dat de belastingkamer van de Hoge Raad het pleitbare standpunt een andere invloed op kwade trouw heeft willen geven, ook al verschilt de gerichtheid van kwade trouw en opzet (zoals in het vorige hoofdstuk uiteengezet) uiteindelijk niet.
Toelichting Staatssecretaris van Financiën bij Hof Leeuwarden 31 maart 2006, V-N 2006/34.8. Dit heeft de Staatssecretaris van Financiën ook in zijn hoedanigheid van wetgever opgemerkt tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2010, Kamerstukken II 2009/10, 32128, 20 (Brief van de SvF), p. 18.
Zie in vervolg hierop bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2689, r.o. 4.2.
Op grond van de huidige jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad lijkt een pleitbaar standpunt tot nu toe zonder meer, ongeacht de subjectieve omstandigheden, tot het ontbreken van opzet te leiden oftewel objectieve werking te hebben. Omdat de begrippen opzet en kwade trouw, zoals in het vorige hoofdstuk in paragraaf 3.8.1.3 uiteengezet, in de praktijk grotendeels op overeenkomstige wijze zijn ingevuld, zou het voor de hand liggen dat het pleitbare standpunt ook zonder meer tot het ontbreken van kwade trouw zou leiden.
Uit de eerste kwade trouw-arresten waarin het pleitbare standpunt aan de orde is gekomen, is op te maken dat de belastingkamer van de Hoge Raad niet uitsluit dat een pleitbaar standpunt ook van invloed is op de vaststelling van kwade trouw.1 Uit een arrest uit 2002 komt vervolgens naar voren dat een pleitbaar standpunt de vaststelling van kwade trouw, anders dan de vaststelling van opzet, niet onder alle omstandigheden verhindert. In deze zaak was komen vast te staan dat de belastingplichtige bij het doen van zijn aangifte bewust informatie had verstrekt die onjuist was, ook als het door hem ingenomen pleitbare standpunt juist zou zijn geweest.2 De belastingkamer heeft het oordeel van het hof dat het pleitbare standpunt niet aan vaststelling van kwade trouw in de weg hoeft te staan, bevestigd.3
Vervolgens heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in 2004 een arrest gewezen waarin zij lijkt te hebben bevestigd dat het pleitbare standpunt bij kwade trouw geen objectieve werking heeft. In dit arrest heeft zij, door middel van een verwijzing naar de conclusie van de A-G die aan het arrest was voorafgegaan, namelijk geoordeeld dat een pleitbaar standpunt slechts tot het ontbreken van kwade trouw leidt als de belastingplichtige op het moment van de, naar later blijkt onjuiste, informatieverstrekking is uitgegaan van dat pleitbare standpunt.4 Voor het ontbreken van kwade trouw lijkt derhalve vereist dat de belastingplichtige het pleitbare standpunt voor ogen heeft gestaan op het moment van informatieverstrekking. Dat moment is, als die onjuiste informatieverstrekking heeft plaatsgevonden door middel van het doen van een onjuiste aangifte, het moment van het doen van die aangifte. In deze zaak kon overigens niet worden gesproken van kwade trouw omdat, bezien vanuit het ingenomen pleitbare standpunt, in dit geval een standpunt over de plaats van feitelijke leiding van een vennootschap, de verstrekte informatie niet onjuist was.
Het is mij niet duidelijk waarom het pleitbare standpunt bij de vaststelling van opzet wel objectieve werking lijkt te hebben, maar bij de vaststelling van kwade trouw niet. Zoals zojuist opgemerkt worden beide begrippen door de belastingkamer van de Hoge Raad grotendeels op overeenkomstige wijze ingevuld. Toch lijken de kwade trouw-arresten meer in overeenstemming met de pleitbaar standpunt jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad dan met die van de belastingkamer van de Hoge Raad. Uit de zojuist besproken kwade trouw-arresten zou wellicht kunnen worden opgemaakt dat de belastingkamer van de Hoge Raad de objectieve werking van het pleitbare standpunt niet onder alle omstandigheden (meer) heeft willen aanvaarden.5
De Staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de wet lijkt wel uit te gaan van objectieve werking van het pleitbare standpunt bij kwade trouw. In een toelichting bij een hofuitspraak heeft hij namelijk opgemerkt dat het niet mogelijk is om wegens kwade trouw na te vorderen, indien kan worden gesproken van een pleitbaar standpunt.67