Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.5:3.5 Conclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.5
3.5 Conclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS458052:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
59. De algemeenheid van goederen is een samenstel van objecten dat een ideëel geheel vormt, bij wisseling van die goederen hetzelfde blijft en in sommige opzichten door het recht als eenheid wordt behandeld. Art. 3:222 BW gaat over het vruchtgebruik van een algemeenheid van goederen. Het bleek dat deze bepaling geen uitzondering op het uniciteitsbeginsel inhoudt. Ook de hereditatis petitio en het verkrijgen van de nalatenschap door verjaring vormen geen uitzondering.
Voorts bleek dat naar Duits en Frans recht de vruchtgebruiker niet kan beschikken over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen; dit is slechts mogelijk indien sprake is van oneigenlijk vruchtgebruik, namelijk bij verbruikbare goederen. In het Franse recht is daarom aangenomen dat effecten, die niet worden aangemerkt als verbruikbare goederen, onderdeel kunnen zijn van een algemeenheid van goederen. Daaraan wordt het rechtsgevolg verbonden dat de vruchtgebruiker over de effecten kan beschikken. In het Nederlandse recht wordt dit opgelost doordat de wettelijke regeling van het BW de mogelijkheid biedt dat de vruchtgebruiker over de goederen kan beschikken; er is geen behoefte om dit via de figuur van de algemeenheid van goederen te regelen.
In het Duitse recht neemt de heersende leer in de literatuur aan dat bij vruchtgebruik van de onderneming een uitzondering op het uniciteitsbeginsel geldt. Betoogd wordt dat anders de goodwill niet onder het bereik van het vruchtgebruik kan worden gebracht. In het Nederlandse recht is iets vergelijkbaars wel betoogd met betrekking tot het pandrecht. In het volgende hoofdstuk ga ik paragraaf 4.4.3 nader in op de vraag of hierin de meerwaarde van het erkennen van de onderneming als rechtsobject is gelegen.