Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.4
3.4 De nalatenschap
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454445:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Steneker 2005, par. 4.4.1.
Zie Van Es 2013.
Reinhartz, GS Erfrecht, art. 4:183 BW, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2011).
Van Es 2013, p. 16; Suijling & Dubois 1931, nr. 218.
Asser/Perrick 4 2013, nr. 449; Van Es 2013, p. 16; Reinhartz, GS Erfrecht, art. 4:183 BW, aant. 5 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2011); Suijling & Dubois 1931, nr. 217. Overigens kan de hereditatis petitio ook gebruikt worden als een revindicatie, waarbij de gedaagde zich beroept op een andere titel dan erfgenaamschap, bijv. koop. Dan dient het goed in kwestie uiteraard wél gespecificeerd te worden. Onder het oude recht kon de hereditatis petitio niet als zodanig ingezet worden. Van Es (2013, p. 19) omschrijft de huidige hereditatis petitio als een ‘wonderlijke mengeling’ van een revindicatie en de hereditatis petitio zoals die onder het oude recht bestond en beschrijft tot welke (bewijs)vraagstukken dit leidt.
Reinhartz, GS Erfrecht, art. 4:183 BW, aant. 5 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2011).
Perrick in zijn noot onder HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:92, NJ 2014/223, onder 4. Anders: Suijling & Dubois 1931, nr. 218, die menen dat de hereditatis petitio alleen ziet op zaken.
Vgl. Asser/Perrick 4 2013, nr. 449: “In ons recht is er geen bijzonder zakelijk of absoluut recht van erfgenaamschap.”
Van Es 2013, p. 16; Suijling & Dubois 1931, nr. 222.
Rank-Berenschot 2012, nr. 32.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 434.
Zie paragraaf 2.3.2.
Zie paragraaf 2.3.2.
Zie paragraaf 2.3.2.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 410, zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 248.
Asser/Perrick 4 2013, nr. 454 over art. 3:100 BW: “Het lijkt hier te gaan om alle goederen van de nalatenschap en niet om de nalatenschap als zodanig”. Zie ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 131: “Of bezit van een algemeenheid van goederen als zodanig mogelijk is, hangt ervan af of men aanvaardt dat een algemeenheid van goederen aan iemand kan toebehoren.”
55. De nalatenschap wordt traditioneel gezien als een algemeenheid van goederen. Naast art. 3:222 BW zijn er in het Nederlandse Burgerlijk Wetboek nog andere wetsartikelen waaruit blijkt dat de nalatenschap een algemeenheid is. In geen van die gevallen wordt echter daadwerkelijk een uitzondering op het uniciteitsbeginsel gemaakt – evenmin als dat bij art. 3:222 BW het geval is.
56. Bij bespreking van het vruchtgebruik van een algemeenheid (art. 3:222 BW) in paragraaf 3.3.2 bleek dat de nalatenschap onder die regeling is begrepen, waardoor bij een vruchtgebruik op een nalatenschap de schulden van de nalatenschap in mindering op de goederen worden gebracht. In paragraaf 1.1 beschreef ik dat de nalatenschap gezien kan worden als een afgescheiden vermogen. Ook bij een afgescheiden vermogen gaat het – net als bij art. 3:222 BW – slechts om een regeling die bepaalt welke schulden op welke goederen verhaald kunnen worden, hetgeen niet meebrengt dat er sprake is van één recht op die goederen tezamen.1
57. In art. 4:183 BW is de hereditatis petitio terug te vinden, een speciale actie van de erfgenaam of erfgenamen tot opvordering van de goederen van de nalatenschap. Zij kunnen de nalatenschap als geheel opvorderen, maar ook afzonderlijke goederen daaruit.2 Natuurlijk hebben de erfgenamen door de werking van art. 4:182 lid 1 BW (saisine) een dergelijke actie ook al op grond van art. 3:125 of 5:2 BW.3 De vraag rijst dan ook wat de meerwaarde van de hereditatis petitio is.
Ten eerste kan de erfgenaam ook goederen opvorderen waarvan de erflater slechts houder was.4Voorts kan de nalatenschap als geheel worden opgevorderd, waarbij aangenomen wordt dat niet ieder goed gespecificeerd hoeft te worden, in tegenstelling tot bij de bezitsactie of de revindicatie.5 Ten tweede verjaart de rechtsvordering pas na 20 jaar (art. 3:306 BW), welke termijn begint met de aanvang van de dag volgende op die van het overlijden van de erflater (art. 3:315 BW). De termijn van verkrijging door middel van verjaring is daar in art. 3:100 BW, in afwijking van art. 3:99 BW, op afgestemd.6 Perrick wijst er – ten derde – op dat de hereditatis petitio ook op andere goederen dan zaken van toepassing is en daarin (in theorie) ook zelfstandige betekenis van de hereditatis petitio gelegen is.7
Hoewel bij de hereditatis petitio de nalatenschap als een geheel wordt gezien en daaraan voor de opvordering ervan bepaalde voordelen worden verbonden, blijkt uit het voorgaande dat geen sprake is van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel. Weliswaar ziet de rechtsvordering op het geheel, maar dit houdt niet een goederenrechtelijk recht op het geheel in.8
Dat er niet één goederenrechtelijk recht op de nalatenschap bestaat, maar men deze wel als zodanig in bezit kan nemen (art. 3:100 BW) en opvorderen (art. 4:183 BW), geeft aanleiding tot diverse vragen.
Wanneer bijvoorbeeld een erfgenaam de nalatenschap als geheel opvordert van iemand die de nalatenschap als erfgenaam in bezit heeft genomen, wordt, zoals gezegd, aangenomen dat de opgevorderde goederen niet afzonderlijk gespecificeerd hoeven te worden. Maar hoe weet de eiser wiens vordering tot opvordering van de nalatenschap wordt toegewezen of de gedaagde niet ongemerkt goederen van de nalatenschap achterhoudt? Praktisch gezien zal dit in moeten houden, zoals onder het oude recht werd aangenomen, dat gedaagde in de procedure verplicht is op te geven welke goederen van de nalatenschap hij in bezit heeft en dat het aan eiser is om die opgave aan te vechten.9
58. Voorts kan de vraag gesteld worden wanneer sprake is van bezit van een nalatenschap, zoals bedoeld in art. 3:100 BW. Aangenomen moet worden dat de ‘bezitter van de nalatenschap’ niet aan de langere verjaringstermijn van art. 3:100 BW kan ontkomen door zich voor afzonderlijke goederen op art. 3:99 BW te beroepen. Daarom is van belang vast te stellen wanneer sprake is van ‘bezit van een nalatenschap’ zoals bedoeld in art. 3:100 BW.
Het BW gaat telkens uit van bezit van afzonderlijke goederen, behalve in art. 3:100 BW. Een nalatenschap kan volgens deze bepaling als geheel in bezit genomen worden en als geheel worden verkregen door verjaring, zo lijkt het, maar wanneer is daarvan sprake? Rank-Berenschot10 is van mening dat hier de verkeersopvatting bepalend is en verwijst naar de Toelichting Meijers bij art. 3:113 BW:11
“Zo zal het bij een erfenis voldoende zijn, dat iemand ongestoord daden van erfgenaamschap verricht of algemeen als erfgenaam erkend wordt. Uit het zijn van een algemeenheid vloeit voort, dat niet ten aanzien van ieder der tot die algemeenheid behorende goederen afzonderlijk een inbezitneming behoeft plaats te vinden.”
Hierbij moet bedacht worden, dat in het Ontwerp-Meijers nog werd voorzien in een regeling voor de overdracht van de algemeenheid van goederen. Zoals inmiddels bekend12 is die regeling uiteindelijk niet ingevoerd.
Maar wat belangrijker is, ook in het Ontwerp-Meijers werd de algemeenheid van goederen niet gezien als object van goederenrechtelijke rechten.13
Mijns inziens moeten deze opmerkingen van Meijers dan ook zo begrepen worden dat voor verkrijging door verjaring van de goederen uit de nalatenschap bezit van ieder van die goederen nodig is; voor ieder goed moet afzonderlijk aan de vereisten van verkrijgende verjaring zijn voldaan, net als Meijers had voorzien voor levering van een algemeenheid.14De nalatenschap is niet een goed dat op grond van art. 3:99 lid 1 BW door verjaring verkregen kan worden en ook niet als zodanig in bezit genomen kan worden. De bedoeling van art. 3:100 BW was ook al in het Ontwerp-Meijers slechts het stroomlijnen van verkrijging door verjaring van goederen van een nalatenschap met de hereditatis petitio. Gaat het om een nalatenschap, dan is de vereiste termijn van bezit ingevolge art. 3:100 BW daarom langer dan in andere gevallen.15
Voor het antwoord op de vraag of voor verkrijgende verjaring voldaan moet worden aan bezit gedurende die langere termijn, is vervolgens van belang of sprake is van ‘bezit van een nalatenschap’. En dáárvoor is niet nodig dat ieder goed afzonderlijk in bezit genomen is. Ik zou hier aansluiting willen zoeken bij hetgeen ik hierover in paragraaf 3.3.2 over het vruchtgebruik van een algemeenheid heb besproken; voldoende is dat de ‘hoofdbestanddelen’ in bezit zijn genomen.
Concreet komt deze uitleg van de wettelijke bepalingen erop neer dat iemand gezien kan worden als ‘bezitter van een nalatenschap’, zonder alle afzonderlijke goederen in bezit te hebben. In dat geval kan hij de goederen op grond van art. 3:100 BW pas door verjaring verkrijgen na een termijn van 20 jaar vanaf de dag volgende op die van het overlijden van de erflater (art. 3:306 jo. 315 BW). Maar het betekent niet dat hij door verjaring rechthebbende wordt van alle goederen uit de nalatenschap – hij verkrijgt slechts die goederen door verjaring uit de nalatenschap ten aanzien waarvan aan de vereisten van art. 3:99 jo. 100 BW is voldaan.16