Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.2
3.2 Het begrip algemeenheid van goederen
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS456829:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Stoa is een filosofische stroming die ca. 300 v.C. ontstond in Griekenland, zie D. Baltzly, “Stoicism”, in: E.N. Zalta (red.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy, online, laatst bijgewerkt op 21 maart 2014, http://plato.stanford.edu/archives/ spr2014/entries/stoicism/; D. Sedley, “Stoicism”, in: E. Craig (red.), RoutledgeEncyclopedia of Philosophy, London: Routledge, online geraadpleegd op 12 november 2014 via http://www.rep.routledge.com/article/A112.
Daubermann 1993, p. 13; Göppert 1871, p. 7-10; Van Hoof 2015, p. 59-60; De Ruiter 1963, p. 7-13. De meningen lopen uiteen over de precieze invloed die het Stoïcijnse onderscheid heeft gehad op het Romeinse recht, zie Göppert 1871, bijv. p. 1, 7, 9, 53 e.v., 71; De Ruiter 1963, p. 8-9; Sokolowski 1902, p. 49. Duidelijk is wel dat het onderscheid en het begrip corpus ex distantibus een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van het latere universitas-begrip, zie De Ruiter 1963, p. 9.
Plutarchus, Coniugalia praecepta, 34; Seneca, Naturales quaestiones, 2,2, Epistulae, 102,6; Sextus Empiricus, Adversus mathematicos 7,102; 9,78, Engelse vertalingen van Loeb Classical Library, Harvard University Press online geraadpleegd op 10 november 2014 via http://www.loebclassics.com/; D.41.3.30, Nederlandse vertaling van Spruit e.a. 2000. Zie voorts Daubermann 1993, p. 12-13; Göppert 1871, p. 10 e.v.; De Ruiter 1963, p. 3-7.
School in de middeleeuwse bestudering van het Romeinse recht, zie Lesaffer 2008, p. 231-237.
Universitas iuris wordt ook wel vertaald met rechtsalgemeenheid, zie Dewitte & Sagaert 2012. Ik bedoel met het gebruik van de term juridische algemeenheid niet iets anders, noch bedoel ik daarmee een oordeel te geven over waarin het onderscheid tussen de universitas facti en de universitas iuris gelegen is.
De Ruiter 1963, p. 13-16.
19e-eeuwse Duitse rechtsgeleerden die voortbouwden op het Romeinse recht, zie Lesaffer 2008, p. 424-430.
Hasse 1822; Mühlenbruch 1834; De Ruiter 1963, p. 8-13, 16-21. Zie voorts over de vraag of het Romeinse recht het begrip universitas kende Daubermann 1993, p. 147-151; Göppert 1871, p. 52 e.v., 58 e.v.; Van Hoof 2015, p. 63.
De Ruiter 1963, p. 19. Zie bijvoorbeeld Diephuis 1 1885, p. 450, voetnoot 2; Land 1901, p. 25-27. Men ging ertoe over de universitates in te delen naar het soort zaken dat zij omvatten, bijvoorbeeld slechts roerende zaken of zowel (wij zouden nu zeggen) zaken als vermogensrechten, zie bijvoorbeeld Diephuis 1 1885, p. 450; Windscheid 1862, p. 344, noot 3.
Zie bijvoorbeeld Gierke 1905, p. 49-52; Molenaar 1966, nr. 11; Suijling 1940, nr. 54-56.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318, 324; in Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74 en Fesevur 2005, p. 30 klinkt het onderscheid door; Libchaber, Rép. civ., “Biens”, nr. 65 (online, laatst bijgewerkt april 2015); Meiller 2012; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §90 nr. 67, 72.
Zie bijvoorbeeld Mühlenbruch 1834, p. 335, 346-350; Parl. Gesch. Boek 3, p. 97; Sokolowski 1902, p. 58. Vgl. Fesevur 2005, p. 30.
In het Franse recht verschillen hier de meningen over, zie paragraaf 2.3.4 en voorts Denizot 2008, nr. 171; Dewitte & Sagaert 2012, p. 132.
Land 1901, p. 26-27; Mühlenbruch 1834, p. 346-350, 370; Mühlenbruch 1838, p. 20. Vgl. Denizot 2008, nr. 121.
Vgl. Hasse 1822, p. 58; Mühlenbruch 1834, p. 325-326; 335; vgl. ook Suijling 1940, nr. 54-56.
Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:189, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013) lijkt het afgescheiden zijn van het vermogen als kenmerkend voor de algemeenheid van goederen te zien. In het Franse recht is de afgescheidenheid van het vermogen kenmerkend voor de universalité de droit, zie Denizot 2008, nr. 174.
Zie bijvoorbeeld Meiller 2012, nr. 11; Mühlenbruch 1834, p. 326 e.v.
Zie voor twistpunten in het Franse recht Meiller 2012.
Denizot 2008, nr. 128.
Denizot 2008, nr. 248 e.v.
Vgl. Molenaar 1966, nr. 11.
De Ruiter 1963, p. 38.
Pitlo/Brahn 1987, p. 18: “Het is een inhoudsloos begrip, slechts historisch te verklaren.” Zie ook Ploeger 1997, nr. 25.
Mühlenbruch 1834, p. 372; Mühlenbruch 1838, p. 20-21; Windscheid 1862, p. 344. Vgl. Molenaar 1966, nr. 11.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Fesevur 2005, p. 30; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16. Zie ook reeds Suijling 1940, nr. 54.
Denizot 2008, nr. 162-178.
Vgl. Denizot 2008, nr. 244; Meiller 2012.
32. In navolging van de Stoïsche natuurfilosofie1 onderscheidde het Romeinse recht drie soorten zaken:2 enkelvoudige zaken (corpora unita), samengestelde zaken (corpora composita) en losstaande zaken die als geheel kunnen worden beschouwd (corpora ex distantibus). De enkelvoudige zaken zijn de dingen uit één stuk, die niet samengesteld zijn, zoals een steen of een levend wezen. Samengestelde zaken zijn bijvoorbeeld een huis, schip of ketting. Voorbeelden van de corpora ex distantibus zijn een kudde, volk of vloot.3 Later hebben met name de (post)glossatoren4 vanuit de corpora ex distantibus het begrip universitas ontwikkeld, tegenwoordig aangeduid met algemeenheid (van goederen). Ook het onderscheid tussen enerzijds de feitelijke algemeenheid, de universitas facti, en anderzijds de juridische algemeenheid,5 de universitas iuris, gaat terug op de glossatoren. Daarbij stond de kudde model voor de universitas facti en de nalatenschap voor de universitas iuris.6
De pandektisten7 meenden later dat een begrip van de universitas niet uit het Romeinse recht kon worden afgeleid. De rechtsfiguren die door de glossatoren en latere rechtsgeleerden als universitas werden aangemerkt, werden in het Romeinse recht niet steeds als eenheid behandeld; dat verschilde naar gelang het geval. Het kenmerken van een samenstel van dingen als universitas, betekende dus niet meer dan dat samenstel insommige opzichten door het recht als eenheid werd behandeld. Bovendien verschilden de rechtsfiguren die onder het begrip werden geschaard volgens de pandektisten in zoveel opzichten van elkaar, dat het niet zinvol is een onderscheid aan te brengen tussen de universitas facti en iuris. Het probleem dat de pandektisten constateerden is dat men achteraf de begrippen universitas, universitas iuris en universitas facti op het Romeinse recht toe heeft willen passen, terwijl aan het Romeinse recht zelf die begrippen vreemd zijn en de verschijnselen die men onder die begrippen wilde scharen zich ook niet leenden voor dergelijke veralgemenisering. Het willen toepassen van die begrippen leidt dan alleen maar tot vraagstukken, die om te beginnen juist ontstaan door de drang naar veralgemenisering, die vreemd was aan het casuïstische Romeinse recht.8
33. Hoewel het onderscheid tussen de universitas facti en iuris in navolging van de pandektisten gewoonlijk werd afgewezen,9 bleef het terugkeren in rechtsgeleerde beschouwingen.10 Ook nu nog duikt het daar op; zowel in Nederlandse, Duitse als Franse rechtsliteratuur.11 Nog steeds is niet helemaal duidelijk waarin het onderscheid tussen de universitas facti en iuris is gelegen en rijzen dezelfde vragen als met betrekking tot het Romeinse recht. Kan de feitelijke algemeenheid alleen roerende zaken omvatten of ook andere soorten goederen?12 Kunnen schulden tot de feitelijke algemeenheid behoren?13 Dienen de samenstellende delen van de feitelijke algemeenheid altijd gelijksoortig te zijn?14 Slaat iuris in universitasiuris op de band die het recht creëert tussen de goederen binnen de universitas of op iets anders?15 Vormt de algemeenheid een afgescheiden vermogen?16 In hoeverre vindt zaaksvervanging plaats?17 Et cetera.18
In wezen doet zich hetzelfde probleem voor als de pandektisten constateerden bij het Romeinse recht. Het is namelijk niet zo dat het recht ons de begrippen universitas, universitas facti en universitas iuris geeft en daar rechtsgevolgen aan toekent. Dat is zelfs niet het geval in het Franse recht, dat de algemeenheid als rechtsobject erkent. Het is andersom: in het recht worden soms ad hoc aan het bestaan van een bepaald samenstel van goederen rechtsgevolgen verbonden. In het Franse recht bijvoorbeeld aan de kudde, de handelszaak, de effectenportefeuille en de nalatenschap. Die gevallen zijn vervolgens in de doctrine gekenmerkt als universitas facti of universitas iuris, maar verschillen zo veel van elkaar dat slechts een zeer algemeen en weinigzeggend begrip van de universitas facti en universitasiuris overblijft.19
Kortom, de begrippen universitas facti en universitas iuris zijn niet normatief, maar slechts descriptief.20 Om die reden is het om het even hoe de zojuist opgeworpen vragen worden beantwoord. Natuurlijk is het van belang die vragen te stellen voor concrete gevallen, zoals de kudde, de handelszaak en de nalatenschap in het Franse recht. Maar het stellen van die vragen met betrekking tot de overkoepelende begrippen universitasfacti en universitas iuris is weinig zinvol.21 Zie hetgeen De Ruiter schrijft over het Franse recht:
“De wettelijke regeling van de fonds de commerce maakt in het geheel geen gebruik van het begrip universalité. Wel geven de rechtsgeleerden zich veel moeite het rechtskarakter van de fonds de commerce op basis van deze wetgeving vast te stellen, maar naar mijn indruk dragen hun beschouwingen weinig bij tot een beter verstaan van de fonds de commerce. Eerder wordt door b.v. de vraag, of de fonds de commerce een universalité de droit dan wel een universalité de fait is, een probleem aan de reeds bestaande toegevoegd, dan dat er iets wordt opgelost. Naast de bestaande regelingen heeft het begrip universalité dan ook geen zelfstandige betekenis.”22
34. De universitas, de algemeenheid van goederen, is dus niet meer dan een samenstel van objecten dat in sommige opzichten door het recht als eenheid wordt behandeld.23 Het kenmerk van deze eenheid is dat het complex van goederen een ideëel geheel vormt dat bij wisseling van die goederen hetzelfde blijft.24 Tegenwoordig wordt dit ideële geheel wel een economische eenheid genoemd of wordt gesproken van een gemeenschappelijke bestemming.25 Voor het Franse recht kan daaraan toegevoegd worden dat wanneer een dergelijke algemeenheid tevens een afgescheiden vermogen vormt, een passif propre heeft, de algemeenheid een universalité dedroit genoemd wordt.26 Een verdergaande precisering van de algemeenheid van goederen valt niet goed te geven.27