Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.17.1.1
5.17.1.1 Grenzen aan exoneraties
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS594120:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Moerel & Van Reeken 2009, p. 214.
Zie par. 2.3.
Evenzo: Silverentand & Van der Eerden 2014, p. 75.
Zo ook Moerel & Van Reeken 2009, p. 214.
De Greef, Kleijne & Schoonhoven 2014, p. 35 noemen een dergelijke aansprakelijkheidsbeperking zelfs “niet van deze tijd”.
De Greef, Kleijne & Schoonhoven 2014, p. 35, wijzen erop dat een beperking tot maximaal eenmaal de jaarvergoeding in geen verhouding staat tot de schade die het fonds bij uitbesteding van het vermogensbeheer kan lijden.
Zie par. 4.2.
Zie par. 4.5.
Net als bij de toelaatbaarheid van exoneraties vanuit het oogpunt van de uitbestedingsregels voor het pensioenfonds, geldt mijns inziens ook hier weer dat een exoneratie is toegestaan, zolang het geen afbreuk doet aan zijn “prikkel” om zich goed in te spannen.
Zo ook Busch 2013, p. 177. In gelijke zin, maar toch voorzichtiger: Busch 2014, p. 167 en Busch & Silverentand 2012, nr. 7.177.Het gaat niet enkel om een ondermijning van zorgplichten jegens de cliënt. In Rb Rotterdam 25 mei 2009, JOR 2009/231, m.nt. Grundmann-van de Krol onder JOR 2009/232 (Stichting Belangen Investeerders PG 201/AFM)ging de rechtbank mee in het standpunt van de AFM dat de door de aanbieder van beleggingsobjecten gebruikte uitsluiting van aansprakelijkheid “geen blijk geeft van de waarborging van een beheerste en integere bedrijfsvoering”.Zie verder par. 4.5.3.
Zie bijv. HR 18 juni 2004, NJ 2004, 585 (Kuunders/Swinkels).
Art. 6:248, lid 2, BW.
HR 19 mei 1967, NJ 1967, 261, m.nt. Scholten (Saladin/HBU); HR 20 februari 1976, NJ 1976, 486 (Pseudo-vogelpest) en HR 25 april 1986, NJ 1986, 714 (Smilde).
Een vérgaande exoneratie neemt bij de dienstverlener de prikkel weg om zich maximaal in te spannen en schadegevallen zoveel mogelijk te voorkomen. Het pensioenfonds maakt zich dan wel erg afhankelijk van de goede wil van zijn dienstverlener.1 Men kan dan bezwaarlijk nog menen dat het pensioenfonds “in control” is. Door (te) vérgaand te exonereren handelt een pensioenfonds dus in strijd met de ratio van de uitbestedingsregels. 2
Anderzijds zijn exoneraties niet geheel ontoelaatbaar.3 Integendeel, exoneraties kunnen zeer redelijk zijn. Zonder exoneraties staat het schadevergoedingsrisico voor de dienstverlener mogelijk in geen enkele redelijke verhouding tot zijn winstmarge. Bovendien zou het pensioenfonds, wanneer het de uitbestede werkzaamheden zélf zou verrichten, ook het risico lopen dat weleens wat mis gaat. Het kan in dat geval zijn schade ook niet afwentelen.4
Het fonds moet er natuurlijk wel voor oppassen dat de exoneraties zover worden opgerekt dat zijn schadeposten ná de uitbesteding groter zijn dan voorheen. De rest-aansprakelijkheid van de dienstverlener moet dus nog van zo een omvang zijn dat hij een voldoende prikkel voelt om zich goed in te spannen en schadegevallen voor hemzelf én zijn opdrachtgever te voorkomen. Een beperking tot het bedrag dat op grond van een aansprakelijkheidsbeperking wordt uitgekeerd, is daarom onwenselijk. Dat geldt ook voor een beperking van de aansprakelijkheid tot slechts schade die het gevolg is van opzet of grove schuld.5
Hoe de formulering van de exoneratie eruit mag zien, valt niet in zijn algemeenheid te stellen. Wordt bijvoorbeeld de omvang van de schadevergoeding gemaximeerd op een bepaald bedrag, dan moet dat bedrag mede worden afgezet tegen de omvang van de ondergebrachte portefeuille.6
Hierboven behandelde ik de toelaatbaarheid van exoneraties vanuit de invalshoek van de (uitbestedings)regels die voor het pensioenfonds gelden. De toelaatbaarheid van exoneraties wordt ook beperkt door regelgeving die van toepassing is op de vermogensbeheerder. De volle werking7 van de MiFID en de Uitvoeringsrichtlijn MiFID brengt mee dat wanneer contractspartijen soepeler zijn dan de bepalingen uit deze richtlijnen, de rechtshandeling zonder rechtsgevolg blijft. Dat hoeft niet te betekenen dat het exoneratiebeding aantastbaar is.8 Het betekent wel dat de vermogensbeheerder zich niet kan beroepen op een exoneratie die zó vergaand is, dat zij afbreuk9 doet aan zijn in de richtlijnen voorgeschreven (zorg)plichten.10
Ook buiten de financiële regelgeving zijn grenzen aan exoneratieclausules gesteld. Zo is het niet mogelijk om de aansprakelijkheid te beperken voor fouten die zijn veroorzaakt door opzet of grove schuld. Dergelijke exoneraties zijn in strijd met de goede zeden.11 Ook kan een beroep op een (geldig) exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.12 Bij de beoordeling daarvan zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waaronder de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, de zwaarte van de schuld aan het veroorzaken van de schade, mede in verband met de aard en de ernst van de bij de gedraging betrokken belangen.13