Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.1
I.1 Introductie van het onderwerp
P.J. van der Plank, datum 01-05-2015
- Datum
01-05-2015
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489123:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
‘De indirecte vereniging van art. 3:3 jo art. 5:20 sub e BW’, WPNR 2009/6796, ‘Is een woonark onroerend?’NTBR 2010/18, ‘Havenkranen onroerend? Over het verschil tussen rijden en drijven. N.a.v. Hoge Raad 24 december 2010, LJN BO3644’, NTBR 2011/27, ‘Zaakseenheid in het platte vlak. Een onderzoek naar het bepalen van de horizontale eigendomsgrens van grondstukken’, NTBR 2012/41, ‘Kan een zaak die een tijdelijke hulpfunctie vervult naar verkeersopvatting een bestanddeel zijn?’, NTBR 2013/31, ‘Bestanddeelvorming op grond van art. 3:3 BW of onroerend in de zin van art. 3:4 BW?’, NTBR 2014/17 (samen met M.E. Witting), ‘De invloed van verkrijgende verjaring op beperkte rechten die rusten op de grond’, NTBR 2015/35 (samen met M.E. Witting), ‘De introductie van drijvende percelen’, WPNR 2015/7071, ‘De verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW’, WPNR 2015/7086.
In hoofdstuk 6 zal worden besproken dat de appartementseigenaar – naar de letter van de wet, zie art. 5:118 en 5:118a BW – wel een gedeelte van de in appartementsrechten gesplitste zaak kan bezwaren, te weten dat gedeelte waartoe hij een exclusief gebruiksrecht heeft. Geconcludeerd zal echter worden dat deze gewrongen constructie niet in lijn is met het goederenrechtelijk systeem en dat het zakelijke recht in wezen drukt op het appartementsrecht zelf. Tevens is het mogelijk om een stuk grond gedeeltelijk te bezwaren met een beperkt recht, zoals besproken zal worden in hoofdstuk 6 (Zie par. 6.10). Dit zou men ook kunnen zien als het vestigen van een beperkt recht op een bestanddeel.
Worden zonnepanelen nagetrokken door het huis waarop zij zijn geplaatst? Is een containerwoning een onroerende zaak, zodat hierop een recht van hypotheek gevestigd kan worden? Staat de jurisprudentie met betrekking tot drijvende woningen in de weg aan de ontwikkeling van drijvend bouwen op grote(re) schaal? Indien ik als eigenaar van een stuk grond het naastgelegen stuk grond in eigendom verkrijg, vindt er dan natrekking plaats, in die zin dat het één eigendomsrecht wordt? Is het nodig een opstalrecht te vestigen om natrekking van een antenne die geplaatst is op een gebouw te voorkomen? Waarop ziet de indirecte vereniging van art. 3:3 lid 1 BW? Wat is de ratio achter het in art. 5:3 BW neergelegde eenheidsbeginsel? Is het mogelijk een beperkt recht te hebben op een gedeelte van een onroerende zaak? Welke rol speelt de verkeersopvatting bij natrekkingsvraagstukken? Leidt kadastrale splitsing tot eigendomssplitsing?
Dit is slechts een greep uit de vragen die spelen omtrent natrekking door onroerende zaken. Het zijn vragen van uiteenlopende aard, die gemeenschappelijk hebben dat juridisch-dogmatische aspecten van invloed zijn op de praktijk. De in deze dissertatie aan de orde gestelde vragen, zullen beantwoord worden aan de hand van een benadering vanuit het goederenrechtelijk systeem. Om kwantitatieve en logistieke redenen was het onvermijdelijk om een keuze te maken uit de vele vragen die met betrekking tot natrekking voor behandeling in aanmerking komen. Voor wie dat wil is er in de door mij gemaakte keuzes ongetwijfeld wel enige mate van willekeur te bespeuren. Het aan deze dissertatie ten grondslag liggende onderzoek is reeds eerder in afzonderlijke artikelen gepubliceerd.1 Deze artikelen zijn gecombineerd en aangevuld opgenomen, op een zodanige wijze dat ieder hoofdstuk zich als een zelfstandig artikel over het desbetreffende onderwerp laat lezen. De synthese van deze zelfstandige stukken vindt plaats in de slotbeschouwing.
Het antwoord op de vraag of natrekking plaatsvindt, is om velerlei redenen van belang. Zo is de eigenaar van een zaak op grond van het in art. 5:3 BW neergelegde eenheidsbeginsel ook eigenaar van haar bestanddelen. Onzelfstandige zaaksdelen, c.q. bestanddelen van een zaak kunnen niet op zichzelf als zaak (in de zin van art. 3:2 BW) beschouwd worden, zodat zij geen voorwerp van afzonderlijk eigendom kunnen vormen.2 Dit geldt echter niet alleen voor het eigendomsrecht. Goederenrechtelijke rechten kunnen alleen bestaan ten aanzien van een zaak in haar geheel. Om die reden is ook het vestigen van een beperkt recht op een bestanddeel niet mogelijk.3
Indien een zaak nagetrokken wordt door een andere zaak, gaat het eigendomsrecht van de laatstgenoemde zaak zich mede uitstrekken over de nagetrokken (voormalige) zaak. Natrekking leidt derhalve tot eigendomsverlies. Met name wanneer de eigendom van de twee zaken in verschillende handen was, ziet men de verstrekkende gevolgen die natrekking kan hebben.