Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/1.3
1.3 Afbakening van het onderzoek
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569896:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ter illustratie: HR (strafkamer) 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3752, r.o. 5; Hof Amsterdam (belastingkamer) 20 juni 1989, gepubliceerd in BNB 1991/95, r.o. 5.5; Hof Amsterdam (belastingkamer) 26 januari 1988, gepubliceerd in BNB 1991/107, r.o. 5.4.1; Hof Amsterdam (belastingkamer) 5 november 2003, gepubliceerd in BNB 2006/131, r.o. 5.7; Hof Amsterdam (belastingkamer) 19 december 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1283, r.o. 5.6; Hof Amsterdam (belastingkamer) 20 maart 2006, gepubliceerd in BNB 2008/249, r.o. 6.10; Hof Arnhem (belastingkamer) 15 juli 2008, gepubliceerd in BNB 2011/49.
In dit onderzoek heb ik mij gericht op de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgenomen straf- en boetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte. In het fiscale boeterecht speelt het pleitbare standpunt namelijk vooral bij deze boetes een rol, zowel bij de vergrijpboetes, boetes met opzet of grove schuld als bestanddeel, als bij de verzuimboetes, boetes zonder subjectief bestanddeel.
Onder de straf- en boetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte heb ik art. 69 lid 2 en art. 67d AWR begrepen, waarin het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte strafbaar respectievelijk beboetbaar is gesteld, art. 67e AWR waarin het opzettelijk of grofschuldig veroorzaken van een onjuiste belastingheffing bij aanslagbelastingen beboetbaar is gesteld en art. 69a en art. 67f AWR waarin het opzettelijk of, uitsluitend in art. 67f AWR, grofschuldig ten onrechte niet of gedeeltelijk niet betalen van een aangiftebelasting strafbaar respectievelijk beboetbaar is gesteld. Onder de verzuimboetebepalingen die hiermee verband houden worden art. 67b lid 2 AWR verstaan, waarin het doen van een onjuiste aangiftebelasting beboetbaar is gesteld en art. 67c AWR, waarin het ten onrechte niet of gedeeltelijk niet betalen van een aangiftebelasting beboetbaar is gesteld.
In de zojuist genoemde straf- en boetebepalingen is ook het niet tijdig doen of het nalaten om aangifte te doen en het niet tijdig betalen van een aangiftebelasting strafbaar en beboetbaar gesteld. Om die reden wordt ook op het nalaten om aangifte te doen ingegaan, strafbaar op grond van art. 69 lid 1 AWR en beboetbaar met een vergrijpboete op grond van art. 67d AWR, alsmede met een verzuimboete op grond van art. 67a AWR en art. 67b lid 1 AWR. Bespreking van het opzettelijk niet tijdig doen van aangifte of het opzettelijk of grofschuldig niet tijdig betalen van een aangiftebelasting, strafbaar en beboetbaar gesteld in art. 69 en art. 69a AWR respectievelijk art. 67f AWR, is achterwege gelaten. Het is namelijk niet goed denkbaar dat aan het niet tijdig doen van aangifte of aan het niet tijdig betalen een standpunt over de interpretatie of toepassing van het recht ten grondslag kan worden gelegd.
Daarnaast wordt in dit onderzoek aandacht besteed aan twee uit het belastingrecht afkomstige, maar niet in het fiscale boeterecht voorkomende geestesgesteldheidsbegrippen waarbij het pleitbare standpunt ook een rol speelt: kwade trouw in verband met de bevoegdheid tot navordering en de voor de zogenoemde omkering van de bewijslast benodigde schuld als is nagelaten om de vereiste aangifte te doen.
Tot slot ben ik ervan uitgegaan dat de onjuistheid van de belastingaangifte, -heffing of -betaling uitsluitend is veroorzaakt door een pleitbaar standpunt. Als de onjuiste belastingaangifte, -heffing of -betaling mede een andere oorzaak heeft en – indien de boete- of strafbepaling dat voorschrijft – in verband daarmee reeds tot opzet of grove schuld is geconcludeerd, kan het pleitbare standpunt geen invloed meer hebben op de mogelijkheden om te beboeten of te bestraffen. Het pleitbaar standpunt verweer wordt dan een strafmaatverweer.1 In dit onderzoek wordt hier verder niet op ingegaan.