Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.3.2.3
II.3.2.3 Normering buitenwettelijke intrekkingsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS382530:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
CBb 15 oktober 2010, AB 2011/24 m.nt. Ortlep en JB 2011/38.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 november 2010, JB 2011/4 m.nt. De Kam en ABRvS 14 januari 2000, JB 2000/65.
Zie onder meer ABRvS 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3986, CRvB 15 maart 2007, AB 2008/14 m.nt. Van Ballegooij en TAR 2007/143, CRvB 19 maart 2014, USZ 2014/153 en RSV 2014/131.
Of, zoals Ortlep het verwoordt, het vertrouwensbeginsel is geneutraliseerd. Zie Ortlep 2011, p. 329.
ABRvS 27 november 2013, AB 2013/416 m.nt. Nijmeijer, JB 2014, 10, JM 2014, 23 m.nt. Bookelaar.
Deze wet is per 1 juli 2014 komen te vervallen (Stb. 2014/169).
Art. 16 lid 1 Rwc.
Art. 11 lid 1 Rwc.
Ortlep 2011, p. 290.
Klap 2005, p. 73 met een verwijzing naar CBb 23 oktober 2003, AB 2003/469 m.nt. Van der Veen en JB 2003/357.
Zoals in de paragrafen 3.2.2.1 en 3.2.2.2 bleek, wordt met enige regelmaat aanvaard dat een beschikking op grond van een buitenwettelijke bevoegdheid kan worden ingetrokken. Het ontbreken van een specifieke grondslag voor intrekking betekent echter geenszins, dat uitoefening van deze bevoegdheid niet wordt genormeerd. Van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gaat namelijk een normerende werking uit.
In de hiervoor besproken jurisprudentie komt men herhaaldelijk de overweging tegen dat bij de uitoefening van de geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking geen strijd mag ontstaan met onder meer het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zo was het CBb in de reeds vermelde uitspraak inzake de intrekking van de tariefbeschikkingen1 van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel was geschonden. Daarbij speelde een rol dat de NZa binnen een tijdspanne van een paar weken tot beleidswijziging was overgegaan, waarbij betrokken partijen zoals appellante, die reeds middelen hadden ontvangen, niet waren geraadpleegd. Ook was van belang dat de intrekking een fikse verlaging van de aan appellante toegekende middelen betekende. Kennelijk is het CBb van oordeel dat de geadresseerde geen rekening behoeft te houden met een dergelijke verlaging binnen een zeer korte periode.
Van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake indien de beschikking wordt ingetrokken omdat de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt waardoor een andere beschikking is gegeven dan die welke zou zijn gegeven wanneer juiste en volledige gegevens zouden zijn verstrekt.2 Schending van het rechtszekerheidsbeginsel wordt voorts niet aangenomen wanneer intrekking plaatsvindt omdat het bestuursorgaan bij verlening van de beschikking een fout heeft gemaakt, maar deze fout voor de geadresseerde van de beschikking kenbaar was.3 In beide gevallen lijkt de gedachte te zijn dat het voor de geadresseerde duidelijk is of moet zijn dat de beschikking onjuist is, hetgeen tot intrekking kan leiden. De geadresseerde behoort dus rekening te houden met een aankomende intrekkingsbeslissing.4
Naast de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gaat bij de intrekking op grond van een geïmpliceerde bevoegdheid, (vanzelfsprekend) ook een normerende werking uit van het wettelijk voorschrift op grond waarvan het ingetrokken besluit is verleend. Een voorbeeld van een situatie waarin de intrekking in strijd met de wet werd geoordeeld, is een uitspraak van de Afdeling uit 2013.5 Het betrof de intrekking van een reconstructieplan op grond van de inmiddels vervallen Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc).6 In art. 11 eerste lid van deze wet was bepaald dat voor elk concentratiegebied een of meer reconstructieplannen moesten worden vastgesteld. Bevoegd tot vaststelling van dergelijke plannen waren provinciale staten.7 Ten aanzien van de mogelijkheid tot intrekking, bepaalde de Rwc intussen niets. Toch aanvaardt de Afdeling in algemene zin de mogelijkheid van een geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking:
‘De Afdeling stelt voorop dat in de bevoegdheid voor provinciale staten tot vaststelling van een reconstructieplan als bedoeld in artikel 16 van de Rwc besloten ligt dat dit bestuursorgaan ook bevoegd is tot intrekking van een vastgesteld en goedgekeurd reconstructieplan, mits die intrekking in overeenstemming is met het stelsel van de Rwc.’
De vraag of in dit concrete geval daadwerkelijk ruimte bestond voor een geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking, werd door de Afdeling ontkennend beantwoord:
‘[…] Hieruit volgt dat het provinciebestuur is gehouden voor de concentratiegebieden die zijn gelegen binnen haar provinciegrenzen reconstructieplannen in werking te hebben. […] Nu het intrekkingsbesluit strekt tot algehele intrekking, zijn er ten gevolge van de goedkeuring van het intrekkingsbesluit geen reconstructieplannen meer in werking voor de concentratiegebieden […] in Noord-Brabant. Er zijn immers geen voorgaande reconstructieplannen die als gevolg van deze besluitvorming herleven en er zijn geen nieuwe reconstructieplannen vastgesteld en goedgekeurd. Gelet op deze omstandigheden is de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking van de reconstructieplannen in dit geval in strijd met de Rwc, in het bijzonder met artikel 11, eerste lid. […] Gelet op het voorgaande staat het systeem van de Rwc, zoals dit volgt uit de vermelde artikelen, in het bijzonder artikel 11, in de weg aan het intrekkingsbesluit.’
Ondanks dat de Rwc als zodanig dus niets bepaalt over de mogelijkheid tot intrekking van reconstructieplannen, gaat er een normerende werking van deze wet uit. Het gevolg van de intrekking, namelijk dat in het geheel geen reconstructieplan(nen) meer in werking was (waren) voor een bepaald concentratiegebied, is immers in strijd met het stelsel van de Rwc, op grond waarvan voor een concentratiegebied één of meerdere reconstructieplannen in werking moeten zijn.8 Concluderend geldt dat intrekking op grond van een geïmpliceerde bevoegdheid niet in strijd mag komen met het toepasselijke wettelijk kader. Ook moet de intrekking tegemoet komen aan de belangen die de betreffende wettelijke regeling beoogt te beschermen.9 Om die reden wordt voor het al dan niet aannemen van een geïmpliceerde bevoegdheid weleens aansluiting gezocht bij de gronden op basis waarvan een beschikking kan worden geweigerd.10