Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.5.6
3.5.6 Verkeersopvatting bij twijfel over door welk perceel een grensoverschrijdend bouwwerk nagetrokken wordt
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487923:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: H.D. Ploeger, ‘Reactie: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”, WPNR 1996/6219, p. 284.
In het Buitenplee-arrest was het zo dat de ‘buitenplee’ zich bevond in het gebouw van A, maar deze was enkel te bereiken via de tuin van B. In dit geval oordeelde de Hoge Raad dat de buitenplee onderdeel was van het gebouw van A en geen bestanddeel was van een gebouw van B. Om die reden was er geen sprake van horizontale natrekking in de zin van art. 5:20 lid 1 sub e BW. De Hoge Raad stelde: “Er is geen goede reden om te aanvaarden dat een onderdeel van een gebouw kan toebehoren aan een ander dan de eigenaar van dat gebouw, in een geval waarin dat onderdeel niet een bestanddeel is van een gebouw dat aan die ander toebehoort.” HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1502 (Buitenplee).
H.D. Ploeger, ‘Reactie: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”’, WPNR 1996/6219, p. 285.
Indien geen kernperceel vast te stellen is, dan dient men mijns inziens gemeenschappelijk eigendom aan te nemen. Zie ook: G.E. van Maanen, ‘De boom van Bartels’, NTBR 2012/2; S.E. Bartels, ‘Een grensoverschrijdende treurwilg’, AA 2011, afl. 9, p. 636-639 en H.D. Ploeger, ‘Reactie: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”’, WPNR 1996/6219, p. 285.
De verkeersopvatting bepaalt ook het antwoord op de vraag door wélk perceel een grensoverschrijdend bouwwerk wordt nagetrokken. Stel dat een bouwwerk zich exact op de perceelsgrens bevindt. Om het kernperceel vast te stellen, c.q. het grondstuk dat het bouwwerk (in zijn geheel) natrekt, zal men wederom te rade moeten gaan bij de verkeersopvatting.1 Zo zal gekeken dienen te worden naar feitelijkheden, bijvoorbeeld: waar bevindt zich de ingang?2 Door welk perceel líjkt het gebouw of werk nagetrokken te worden? Volgens Ploeger kan zelfs de aanwezigheid van een erfdienstbaarheid een aanwijzing zijn dat er horizontale natrekking plaatsvindt door het heersend erf. Niet omdat de verticale natrekking doorbroken wordt door de erfdienstbaarheid, maar dat partijen hiermee de bedoeling aan hebben gegeven dat het bouwwerk bij het heersend erf hoort.3 Na vaststelling door welk perceel het bouwwerk nagetrokken wordt, zorgt een ruime toepassing van de horizontale natrekking van art. 5:20 lid 1 sub e BW ervoor dat het gehele bouwwerk nagetrokken wordt door het desbetreffende perceel.4 Zo is de verkeersopvatting ook bij de vraag door welk perceel een grensoverschrijdend bouwwerk wordt nagetrokken van doorslaggevende betekenis.
Uit het bovenstaande blijkt hoe belangrijk de rol van de verkeersopvatting voor de vraag of bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW heeft plaatsgevonden. Om die reden zal in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk nader ingegaan worden op de vraag hoe men de verkeersopvatting bepaalt, wat de voor- en nadelen zijn van het gebruik van de verkeersopvatting en waarom het gebruik van de verkeersopvatting als leidend criterium voor bestanddeelvorming naar mijn mening gerechtvaardigd is.