Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/4.4.3.1
4.4.3.1 De goodwill van een onderneming
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS455638:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bij de stemuitslagen in het verslag van het congres “Eyes on Insolvency” 18 april 2013, Kentie & Kloet 2013: “Het zou mogelijk moeten zijn een pandrecht te vestigen op de onderneming als een ‘going concern’-geheel, inclusief goodwill. 56% vóór.” en voorts Tollenaar 2013, p. 14-16.
Verstijlen 2001, p. 258-259. Zie ook Diamant & Wibier 2012; Van Hees 2008, onder 3; Van Oers 2007, p. 8, noot 30, p. 43; Princen 2007, p. 135; Verstijlen 2006b, p. 1226.
Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 22-24; Van der Steur 2003, par. 3.2.8. Vgl. Tervoort, GS Personenassociaties, aant. 2.13.2.1 (online, laatst bijgewerkt op 1 februari 2013).
Denk ook aan de handelsnaam, domeinnamen, auteursrechten, overeenkomsten met essentiële arbeidskrachten, etc. waarin goodwill ‘belichaamd’ kan zijn.
Cohen Jehoram 1963, p. 53-54; Reehuis 2010, nr. 9; Van der Steur 2003, par. 3.2.8.
Zie Cohen Jehoram 1963, p. 139; Reehuis 2010, nr. 9; Van der Steur 2003, p. 196; Suijling 1896, p. 370; Wessels 2010, nr. 66.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 4; Cohen Jehoram 1963, p. 53; Diamant & Wibier 2012; Van Mourik 1970, p. 26-27, 33-40; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 22-24, 32; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, nr. 9; Reehuis 2010, nr. 9; Snijders & Rank- Berenschot, nr. 60; Van der Steur 2003, par. 3.2.8. Zie ook HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0748, NJ 2003/342; Van Mourik 1969. Anders: Verstijlen 2001. Het arrest IJsseloevers Notarissen (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068, NJ 2013/256) maakt het voorgaande niet anders, daaruit blijkt slechts dat de goodwill als eigenschap van de onderneming een rol kan spelen in het kader van de conformiteit, zie Biemans 2015, Zippro 2011, de noot van Raaijmakers & Bouichi onder het arrest, AA 2012, p. 118-122 en de noot van Hijma onder het arrest in NJ 2013/256.
Denk bijvoorbeeld aan knowhow, die buiten het bestek van dit onderzoek valt en daarom hier verder buiten beschouwing zal blijven. Zie hierover Van der Steur 2003, p. 186-190.
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 4: “De waarde die men aan goodwill pleegt toe te kennen, is een gevolg van een feitelijke situatie. Een recht op het voortduren van deze feitelijke situatie bestaat niet.” Zie ook De Jong 2006, p. 177.
Van der Steur 2003, p. 195.
Reehuis 2010, nr. 9; Van der Steur 2003, p. 196; Suijling 1896, p. 370; Wessels 2010, nr. 66.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 405; Asser/Hijma 7-I* 2013, nr. 199; Cohen Jehoram 1963, p. 139, 150, 190-191; Janssen & Eeken 1999; Reitsma 2005; Schuurs 2003; Sperling & De Lange 1998; Suijling 1896, p. 370; Vermeulen 1999, par. 4.3; Verstijlen 2001, p. 252-253; Wessels 2010, nr. 66; HR 1 juli 1997, NJ 1997/ 685 (Kolkman/Cornelisse); HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068, NJ 2013/ 256, AA 2012, p. 118-122, met noot Raaijmakers & Bouichi (IJsseloevers Notarissen). Zie voor het Duitse recht Isay 1910, p. 149 e.v.; Schmidt 2014, p. 168, 177-178.
Notenboom 2011, p. 212; Reehuis 2010, nr. 9; Van der Steur 2003, p. 196; Wessels 2010, nr. 66; Wiarda 1954, p. 241. Vgl. Cohen Jehoram 1963, p. 114-115. Zie voor het Duitse recht Schmidt 2014, p. 168, 176-177.
Vgl. Cohen Jehoram 1963, p. 190-191, die erop wijst dat deze kritiek is geuit, maar dat hij van mening is dat ook ingeval van executie de oude ondernemer zich dient te onthouden van concurrentie.
Zie Diamant & Wibier 2012.
98. De meerwaarde van het beschouwen van de onderneming als één object, als een algemeenheid van goederen, is niet gelegen in een eenvoudigere wijze van overdracht of vestiging, zo blijkt na bestudering van het Franse recht. Kan de meerwaarde dan gelegen zijn in de meerwaarde van het geheel ten opzichte van de som der delen, de goodwill? Er wordt bijvoorbeeld wel gesuggereerd dat een pandrecht op de onderneming als zodanig, zoals in het Franse recht, ook de goodwill omvat, in tegenstelling tot verpanding van alle afzonderlijke goederen van de onderneming, zoals thans in het Nederlandse en Duitse recht.1
Voor het Nederlandse recht gaat men ervan uit dat, ook al heeft een pandhouder een pandrecht op alle mogelijke activa van een onderneming, bij executie daarvan de meerwaarde die wordt gegenereerd door de gezamenlijke verkoop, de goodwill, toekomt aan de pandgever, respectievelijk de boedel in faillissement. Tot deze conclusie wordt gekomen omdat goodwill geen goed is in de zin van art. 3:1 BW en dus niet is verpand. Zou de pandhouder een pandrecht op de onderneming als geheel hebben, zou de onderneming als zodanig object zijn, dan zou aan de pandhouder ook de goodwill bij executie toekomen, zo zou gedacht kunnen worden. (Vergelijk het pandrecht op het fonds de commerce.)2
99. Goodwill is een lastig concept. Het is datgene wat een koper van een onderneming bereid is te betalen bovenop de waarde die de goederen op zichzelf bezien hebben.3 Het is dus een meerwaarde die op één of andere manier gegenereerd wordt. In ‘op één of andere manier’ zit de moeilijkheid: het is moeilijk vast te stellen waaruit de goodwill voortspruit. Het kan te maken hebben met een goede reputatie, gunstige resultaten en vooruitzichten, maar ook met een gunstige ligging of andere feitelijke factoren. Goodwill heeft daardoor iets ongrijpbaars. Voor zover de goodwill toe te rekenen is aan bijvoorbeeld een sterk merk, is, zo wordt wel gezegd, de goodwill ‘belichaamd’ in een bepaald goed, in dit geval het merk als vermogensrecht. Zo zou goodwill die uit reputatie bestaat dus belichaamd kunnen zijn in een merk, en zo zou goodwill die bestaat uit een gunstige ligging belichaamd kunnen zijn in een onroerende zaak.4 Dat soort ‘belichaamde’ goodwill is juridisch niet problematisch, omdat het toe te rekenen is aan een bepaald goed en het zich uit in de waarde (de koopprijs of executiewaarde) daarvan.5
‘Echte’ goodwill daarentegen is ‘onbelichaamd’; is juist níét aan een specifiek goed toe te rekenen maar ís er nu eenmaal, omdat men bereid is méér te betalen voor de goederen dan zij tezamen, ieder op zichzelf genomen, waard zijn. Goederenrechtelijk gezien ‘is’ goodwill daarom ‘niks’; het is niet iets waar je een recht op kan hebben of een goed dat je overgedragen kan krijgen, waarna je er als verkrijger recht op hebt. Het is meer een feitelijke situatie, een samenstel van een aantal factoren, die bewerkstelligen dat er goodwill is. De koper van een onderneming kan natuurlijk bedingen dat hij als verkrijger in dezelfde positie wordt gebracht als de vervreemder, en op die manier de goodwill ‘overgedragen’ krijgen.6 Dat maakt de goodwill echter nog niet tot goed, tot object van rechten. Vergelijk hetgeen in paragraaf 4.2.2.2 besproken is over het recht op clientèle bij het fonds de commerce: de verkrijger kan in de positie gebracht worden waarin hij dezelfde clientèle kan aantrekken, maar er is niet zoiets als een ‘recht op’ clientèle. Hetzelfde geldt voor goodwill. Het wordt dan ook algemeen aangenomen dat goodwill geen vermogensrecht is en dat er niet zoiets is als het goed goodwill of een ‘recht op’ goodwill.7
100. Aan sommige dingen wordt in het economische verkeer een waarde toegekend, zonder dat zij zich ervoor lenen om in een goederenrechtelijke vorm gegoten te worden, zoals het hebben van clientèle, maar ook andere feitelijkheden.8 Het is moeilijk voorstelbaar dat op zoiets als clientèle of goodwill een recht kan bestaan dat jegens een ieder gehandhaafd kan worden, zoals dat met goederenrechtelijke rechten het geval is.9 Van der Steur zegt hierover:
“Het is onmogelijk precies aan te geven wat er onder goodwill wordt verstaan. Men kan de goodwill niet fixeren, want een uur na de verkoop kunnen de bestanddelen al weer gewijzigd zijn. Goodwill bestaat juist uit de onbenoembare feitelijke bijzonderheden die een bedrijf als geheel kan bezitten. Derhalve is het ook niet te legitimeren dat derden geen inbreuk mogen maken op iets wat voor hen niet kenbaar is.”10
Wél kan uiteraard met een wederpartij, de verkoper van de onderneming, worden afgesproken dat hij alles in het werk zal stellen om de koper in de positie te brengen waarin hij zelf verkeert.11 Of een dergelijke verplichting kan uit de wet voortvloeien, zoals ik besprak bij het Franse recht (paragraaf 4.2.2.2). Ook voor het Nederlandse recht wordt aangenomen dat een dergelijke verplichting of een verplichting tot non-concurrentie op de verkoper van een onderneming kan rusten, zonder dat dit uitdrukkelijk is overeengekomen.12
101. Dit goodwillprobleem, voor zover het een probleem is, kan niet worden opgelost door de onderneming als één object te zien in plaats van als meerdere losse objecten. Wil men de goodwill ‘overdragen’, dan zal men zich moeten bedienen van een verbintenisrechtelijke constructie, waarbij de vervreemder zich verplicht bepaalde handelingen te verrichten of juist na te laten, zodat de verkrijger in zijn positie wordt gebracht.13 De inspanning en medewerking van de verkoper blijft hierbij echter nodig. Reden waarom, hoewel in theorie denkbaar, praktisch gezien een regeling waarbij de verkoper ook ingeval van executie (van een pandrecht op de onderneming) wordt verplicht tot deze prestaties, onwerkbaar is. Bovendien onwenselijk, omdat op deze wijze bij executie verplichtingen op de geëxecuteerde zouden komen te rusten.14
102. Ten slotte moet naar mijn mening de vraag wie gerechtigd is tot de opbrengst van de goodwill bij executie niet worden beantwoord aan de hand van de vraag of er al dan niet één recht op de onderneming bestaat. Wanneer alle goederen aan de pandhouder verpand zijn, en men is bereid daar een prijs voor betalen die hoger is dan de waarde van de afzonderlijke goederen bij elkaar, is het niet noodzakelijk dat deze meerwaarde naar de pandgever of de boedel toevloeit.15 Het betreft hier een verdelingsvraagstuk dat ook in een andere richting opgelost kan worden; een rechtspolitieke keuze. Het is heel wel mogelijk een wettelijke regeling te maken die bepaalt dat alle opbrengsten die de curator genereert afgedragen moeten worden aan de pandhouder. Dat is mogelijk een niet erg wenselijke situatie, maar ik wil hiermee slechts aangeven dat in theorie alle denkbare verdelingen mogelijk zijn. Zou men dus de opbrengst voor de goodwill bij verkoop van een onderneming in faillissement aan de pandhouder toe willen laten komen, dan is het daarvoor niet noodzakelijk dat men de onderneming als één goed ziet of ‘het recht op de onderneming’ erkent. Ook los daarvan kan een dergelijke in de wet regeling getroffen worden.