Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.5.2
5.5.2 Beschikbaarheid van deskundigheid
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602201:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 14, lid 3, Bupw. Zie ook art. 30 Bpr (DNB-vergunde instellingen); art. 38a, lid 2, sub e, Bgfo (beheerders van een icbe); en art. 38c, lid 1 en art. 38e, lid 2, sub e, Bgfo (beleggingsondernemingen).
Zie Rb Rotterdam 4 augustus 2011, JOR 2012, 12,m.nt. Affourtit en PJ 2011, 125m.nt. Kuiper (PME), r.ov. 2.4 waar een van de verwijten aan het pensioenfonds luidt dat het niet over voldoende deskundigheid beschikt om de werkzaamheden van zijn vermogensbeheerder te kunnen beoordelen of de risico’s van zijn beleggingsportefeuille te bepalen.
Zie ook par. 5.4.3.
De beleidsbepalers zullen in het normale geval zitting hebben in het bestuur. Ik zal hierna daarom spreken van bestuurders.
Art. 1.4 Beleidsregel geschiktheid. Dit past goed binnen het vennootschapsrechtelijke principe van collegiaal bestuur (zie bijv. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 417).
Maatman 2004b, p. 463; Roth & Roepnarain 2014, p. 486; Van der Meij 2011; Maatman & Schuit 2012, p. 374.Met het sterk dalende aantal pensioenfondsen wordt dit probleem overigens wel steeds kleiner. In 2007 kende Nederland nog 605 pensioenfondsen. In 2013 was dit aantal gedaald tot 358. Deze cijfers zijn afkomstig van DNB (te downloaden via: http://www.statistics.dnb.nl/financieele-instellingen/pensioenfondsen/toezichtgegevens- pensioenfondsen/index.jsp#, Tabel T 8.2 (Organisatie & Pension Fund Governance)).
Zie par. 7.5.2.
Zie par. 2.5.8.1. Ik wijs er nog op dat het aantrekken van een deskundige als interim-bestuurder een geheel andere kwestie is dan het aanstellen van een deskundige als adviseur. De interim-bestuurder brengt deskundigheid in het bestuur en draagt bovendien mede bestuursverantwoordelijkheid (zie par. 2.5.3.3).
Het pensioenfonds dient over toereikende deskundigheid te beschikken.1 De Beleidsregel geschiktheid stelt (slechts) deskundigheidseisen aan beleidsbepalers. In de meeste gevallen zal de dagelijkse aansturing van de dienstverlener echter niet door deze beleidsbepalers geschieden, maar door medewerkers van het pensioenfonds, bijvoorbeeld die van het bestuursbureau. Het is daarom noodzakelijk dat ook binnen de organisatie voldoende deskundigheid aanwezig is.2 Ook binnen bijvoorbeeld een interne-controlefunctie moet voldoende deskundigheid aanwezig zijn, om niet de kwaliteit van diens werkzaamheden in gevaar te brengen.3
Beschikbaarheid van deskundigheid elders in de organisatie laat onverlet dat ook het bestuur4 zelf voldoende deskundig moet zijn. Bij een meerhoofdig bestuur hoeft overigens niet elke bestuurder deskundig te zijn ter zake van uitbesteding of vermogensbeheer. Waar het op aankomt, is dat de benodigde deskundigheid binnen het collectief aanwezig is.5 Desondanks is dit vaak geen eenvoudige opgave. In de literatuur is veelvuldig aangevoerd dat er in Nederland onvoldoende deskundigen zijn om alle pensioenfondsbesturen te bemensen.6 Dat vormde mede aanleiding voor de invoering van nieuwe bestuursmodellen voor pensioenfondsen.7
Voldoende deskundig betekent niet dat een bestuur geen deskundig advies kan inwinnen zonder zichzelf te diskwalificeren. Van geen enkel bestuur kan worden verwacht dat het de wijsheid in pacht heeft. Wel moet het bestuur voldoende deskundigheid in huis hebben om het – in- of externe – advies te kunnen doorgronden en op zijn merites te beoordelen. Kan het dat niet, dan kan het zijn verantwoordelijkheid niet dragen.8