Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.4
I.4 Onderzoeksmethode en afbakening van het onderwerp
P.J. van der Plank, datum 01-05-2015
- Datum
01-05-2015
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483084:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Vranken Algemeen deel ****, 2014/1.2.
Ploeger onderzocht voor zijn dissertatie het Belgische, Franse, Duitse, Zwitserse en het Zuid-Afrikaanse recht, zie: H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997.
Hoofs deed voor haar dissertatie een rechtsvergelijkend onderzoek naar het Duitse, Belgische, Schotse en het Nederlandse recht. Zie: K. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief, (diss. Maastricht) WLP 2012/13.
Bouly vergeleek het Belgische recht met het Franse, Nederlandse en het Zuid-Afrikaanse recht. Zie: S. Bouly, Onroerende natrekking en horizontale eigendomssplitsingen, (diss. Leuven), Antwerpen: Intersentia, 2015.
I.M. Knobel was op het moment dat dit onderzoek afgesloten werd, bezig met de afronding van haar dissertatie waarin zij het Zuid-Afrikaanse recht ten aanzien van natrekking door de grond vergelijkt met het Engelse en het Nederlandse recht.
J.E. Wichers, Natrekking, vermenging en zaaksvorming, (diss. Groningen), Kluwer Deventer 2002.
Zo wordt in hoofdstuk 1 ingegaan op de vraag of 3:4 BW bestanddelen verzelfstandigd, c.q. juridisch afgesplitst kunnen worden door middel van het vestigen van een opstalrecht, wordt in hoofdstuk 2 besproken of een schip gesplitst kan worden in appartementsrechten, wordt in hoofdstuk 5 besproken wanneer kabels en leidingen een zelfstandige onroerende zaak zijn in de zin van art. 5:20 lid 2 BW en wordt in hoofdstuk 6 de invloed van het splitsen van beperkte zakelijke rechten besproken op zaakseenheid in het platte vlak. Deze opsomming is niet uitputtend.
Dit onderzoek is gericht op analyse en ontwikkeling van het positieve privaatrecht. Dat brengt als vanzelf mee dat gekozen moet worden voor de juridisch-dogmatische onderzoeksmethode, zoals gedefinieerd door Vranken1, waarbij het object van de juridische dogmatiek het geldende positieve recht is, zoals dat neergelegd is onder meer in geschreven en ongeschreven regels, beginselen, leerstukken en rechtelijke uitspraken voorzien van commentaar in de literatuur. Hierbij is het recht beperkt tot het Nederlandse recht. Dit onderzoek bleek dermate omvangrijk dat het daarin verwerken van een rechtsvergelijkende beschouwing het onderzoek kwalitatief en kwantitatief te zeer gecompliceerd zou hebben. Rechtsvergelijkend onderzoek naar natrekking en de doorbreking daarvan werd reeds op zeer uitgebreide wijze gedaan door Ploeger2, Hoofs3, Bouly4 en in de nog te verschijnen dissertatie van Knobel.5 De onderzoeksmethode is in die zin historisch geïnspireerd dat de totstandkoming geschiedenis van het huidige recht veelvuldig en uitgebreid aan de orde komt. Hierbij is (bewust) de keuze gemaakt om daar waar nodig letterlijk citaten uit de Parlementaire Geschiedenis op te nemen. Dit om te beknopte of verkeerde parafrasering te voorkomen.
De omvangrijkheid van het onderzoek zorgde niet enkel voor een beperking in de te behandelen rechtstelsels. Het onderwerp van het onderzoek was aanvankelijk natrekking en splitsing van zaken. De keuze het onderzoek te beperken tot onroerende zaken, werd al in het beginstadium van het onderzoek gemaakt. De directe en indirecte vereniging met de grond (art. 3:3 en 5:20 BW), de bestanddeelvorming van art. 3:4 BW, de onderlinge verhouding tussen deze twee vormen, het verschijnsel van de horizontale natrekking, de vraagstukken omtrent de kabels en leidingen en de zelfstandigheid daarvan en de natrekking in het platte vlak levert een indrukwekkende hoeveelheid rechtspraak en literatuur op, zodat de keuze gemaakt is het onderzoek te richten op de onroerende zaken. Natrekking van roerende zaken valt derhalve buiten het bestek van dit onderzoek, waardoor art. 5:15 BW, evenals de rechtsfiguren vermenging (art. 5:15 BW) en zaaksvorming (art. 5:16 BW) grotendeels onbesproken zullen blijven. Hierover verscheen overigens in 2002 een mooi proefschrift van de hand van Wichers.6
Een moeilijkere keuze was het achterwege laten van de splitsingsproblematiek bij onroerende zaken als onderwerp van deze dissertatie. Natrekking en splitsing zijn omgekeerd evenredige grootheden: wanneer juridische splitsing plaatsvindt van een onroerende zaak, wordt natrekking doorbroken, en wanneer natrekking plaatsvindt wordt juridische zelfstandigheid opgeheven. Gezien de enorme veelheid aan vragen ten aanzien van splitsingsproblematiek bij onroerende zaken, lag willekeur echter op de loer. Ook dit dwong tot afbakening, waarbij gekozen is de nadruk te leggen op natrekking. Gezien het eerdergenoemde verband tussen natrekking en splitsing, komt splitsingsproblematiek in verschillende hoofdstukken terug.7
Natrekking is een goederenrechtelijk onderwerp bij uitstek. Het betreft immers uitbreiding van het meest omvattende (zakelijke) recht: eigendom. De hoofdvragen in dit onderzoek zijn ook goederenrechtelijk van aard. De verbintenisrechtelijke consequenties van natrekking zullen derhalve slechts zijdelings aan bod komen.