Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.2.2.4
II.6.2.2.4 Intrekking wegens het niet (langer) voldoen aan geschiktheidseisen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS381325:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7551
Vgl. art. 8 lid 1 aanhef en onder b DHw. In art. 8 lid 2 DHw wordt voorts nog gesproken over eisen van zedelijk gedrag. Wat onder deze begrippen moet worden verstaan, is nader uitgewerkt in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999.
Er wordt dan aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. Zie onder meer ABRvS 19 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG4744, ABRvS 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6343 en ABRvS 23 september 2009, AB 2010/70 m.nt. Vermeer.
ABRvS 11 mei 2005, Gst. 2005/194 m.nt. Albers (Coffeeshop Enschede). Zie in dezelfde zin ABRvS 22 juli 2009, Gst. 2010/28 m.nt. Kessen (The Comic) en ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5952.
Zie hierover paragraaf 6.2.2.2.
ABRvS 14 februari 2007, AB 2007/135 m.nt. Vermeer (New Yangste Kiang). Vgl. voorts ABRvS 27 maart 2002, JB 2002/124 m.nt. Albers en AB 2002/195 m.nt. Neerhof (Dutch Courage Management).
Michiels en De Waard 2007, p. 129. Zie ook Vermeer in AB 2011/238. Konijnenbelt en Van Male doen de suggestie om voor gevallen als deze, waarin een vergunning wordt ingetrokken vanwege slecht levensgedrag, een aparte categorie maatregelen te introduceren. Zie Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 476.
Zie onder meer ABRvS 23 september 2009, AB 2010/70 m nt. Vermeer.
Art. 130 lid 1 WVW 1994.
Zie onder meer ABRvS 15 januari 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AA9919 en ABRvS 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3238.
Artt. 132b e.v. WVW 1994.
Zie onder meer ABRvS 23 oktober 2013, JB 2013/247 en AB 2014/399 m.nt. Stijnen. Destijds was de Afdeling van mening dat wanneer het alcoholslotprogramma werd opgelegd aan personen die ook beschikten over een rijbewijs voor categorie C (vrachtwagens), sprake was van een criminal charge, nu dat rijbewijs voor de duur van 2 jaar ongeldig werd verklaard. Inmiddels doet zich deze situatie niet meer voor. Zie Stcrt. 2014, 10591
Gerechtshof Den Haag 22 september 2014, JB 2014/209 m.nt. De Kam.
HR 3 maart 2015, JB 2015/50 m.nt. De Kam en AB 2015/159 m.nt. Stijnen. De Hoge Raad verwees in dat kader naar het arrest Nilsson t. Zweden (EHRM 13 december 2005, EHRC 2006, 29 m.nt. Albers en AB 2006, 285 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik).
ABRvS 4 maart 2015, JB 2015/57 m.nt. Bots en AB 2015/160 m.nt. Stijnen.
Vanuit de intrekking op grond van de Wet Bibob kan een parallel worden getrokken met de intrekking wegens het niet meer voldoen aan bepaalde geschiktheidseisen. Een voorbeeld hiervan kan worden gevonden in de Wet Wapens en Munitie. Op grond van art. 7 lid 2 aanhef en onder b van deze wet kan een wapenverlof worden ingetrokken
‘indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd’.
In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2013 werd een wapenverlof op deze grond ingetrokken, omdat de houder van dat verlof onder meer bij een bezoek van de politie een versufte indruk maakte, er diverse soorten medicijnen werden gevonden, hij verwijzingen had gemaakt naar het schietdrama in Alphen aan de Rijn en zijn psychiater met grove termen had aangeduid. In deze uitspraak lag dus geen overtreding ten grondslag aan de intrekking van het wapenverlof. De Afdeling overweegt dan ook dat de aanleiding voor de intrekking is gelegen in het beschermen van de veiligheid van de samenleving.1 Een ander voorbeeld is te vinden in art. 31 lid 1 aanhef en onder b DHw, op grond waarvan een drankvergunnin kan worden ingetrokken indien de vergunninghouder niet langer voldoet aan (onder meer) de in art. 8 DHw neergelegde geschiktheidseisen, waaronder de eis dat de vergunninghouder niet van ‘slecht levensgedrag’ mag zijn.2 Ook exploitatievergunningen kunnen veelal op deze grond worden ingetrokken.3 De Afdeling bestuursrechtspraak heeft zich in diverse uitspraken uitgelaten over de wijze waarop een dergelijke intrekking moet worden gekwalificeerd. In een uitspraak uit 2005 oordeelde zij dat de intrekking wegens het niet meer voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag uitsluitend tot doel heeft de openbare orde te beschermen. De conclusie is daarom dat de intrekking niet kan worden aangemerkt als een bestraffende sanctie.4 Of naar het oordeel van de Afdeling al dan niet sprake is van een herstelsanctie is niet helemaal duidelijk. In de eerste plaats moet worden geconstateerd dat het feit dat iemand van slecht levensgedrag door de Afdeling wordt geplaatst onder gevaar voor de openbare orde.5 Ten aanzien van de intrekking van een exploitatievergunning in verband met slecht levensgedrag overwoog de Afdeling in 2007 dat sprake is van een reparatoire maatregel in het kader van de openbare orde, gericht op het bestrijden van laakbaar gedrag van horecaondernemers.6 De term maatregel suggereert dat de Afdeling van mening is dat in het geheel geen sprake is van een sanctie. Voor het opleggen van een maatregel is immers niet vereist dat een overtreding is begaan door de geadresseerde.7 In latere rechtspraak kwalificeert de Afdeling een dergelijke intrekking echter weer als een reparatoire sanctie in het kader van de openbare orde, gericht op bestrijding van laakbaar gedrag van horecaondernemers.8
Nauw verwant aan de intrekking vanwege het niet meer voldoen aan geschiktheidseisen, is de ongeldigverklaring van het rijbewijs. Ongeldigverklaring van het rijbewijs kan plaatsvinden wanneer het vermoeden bestaat
‘dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven.’9
Een dergelijke ongeldigverklaring wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak niet gekwalificeerd als criminal charge in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.10 Recent is de ongeldigverklaring van het rijbewijs weer actueel geworden vanwege de invoering van het zogenaamde alcoholslotprogramma.11 Dit programma wordt onder meer opgelegd aan personen die met een aanzienlijk alcoholpromillage achter het stuur worden aangehouden. Het programma duurt (minimaal) 2 jaar, waarbij onder meer een alcoholslot in de personenauto van betrokkene wordt ingebouwd en deze een begeleidingsprogramma moet volgen. Bij het niet voldoen aan bijvoorbeeld de verplichting om de (aanzienlijke!) kosten van het alcoholslotprogramma te betalen, wordt het rijbewijs voor de duur van 5 jaar ongeldig verklaard. Het alcoholslotprogramma werd door de Afdeling bestuursrechtspraak tot voor kort niet aangemerkt als criminal charge.12 Na andersluidende rechtspraak van onder meer het gerechtshof Den Haag,13 heeft de HR zich uitgelaten over het alcoholslotprogramma. De HR kwam tot het oordeel dat vanwege de zwaarte van het alcoholslotprogramma sprake is van een criminal charge.14 Het perspectief van de geadresseerde van het besluit tot oplegging van het alcoholslotprogramma lijkt ook hier mede van belang. De Afdeling bestuursrechtspraak lijkt zich met deze rechtspraak te hebben verenigd.15 Een en ander is mijns inziens een verdedigbare uitkomst. Hoewel ook het alcoholslotprogramma kan worden geplaatst in het kader van het niet langer voldoen aan geschiktheidseisen, is sprake van een dermate fors optreden dat een bestraffend element bezwaarlijk kan worden ontkend.