Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.1.1.c:IJkpunt 2: Deskundigheid
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.1.1.c
IJkpunt 2: Deskundigheid
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS455598:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 januari 1998, NJ 1998, 404, m.nt. JR.
Zo komt het woord validiteit in de Sv-titel en het Besluit niet voor, maar betrouwbaarheid wel.
Vgl. Y. Buruma, ‘Betrouwbaar bewijs’, DD 2009, 4, paragraaf ‘Betrouwbare verklaringen van een deskundige’. Hij schrijft dat de algemene deskundigheid vrijwel nooit in twijfel wordt getrokken, maar situationeel, incidenteel gedrag: ‘[h]et gaat er juist in dediscutabele zaken om dat er iets schort aan de inhoud van de rapportage of het gedrag van de deskundige’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Overigens is niet alleen de validiteit van de methode van invloed op de betrouwbaarheid van het verkregen product. Ook de kwaliteit, de deskundigheid van de onderzoeker speelt een rol van betekenis. Een orthopedisch schoenmaker is niet per definitie ook deskundig in het analyseren van voet- en schoensporen op een plaats delict. Derhalve moeten ook eisen worden gesteld aan de persoonlijke capaciteiten van degene die de methode toepast. Uit het Besluit register deskundige in strafzaken en het Schoenmaker-arrest1 kunnen verschillende voorwaarden worden afgeleid. Ten eerste moet de deskundige rapporten over wat zijn wetenschap en kennis hem leert, met andere woorden: hij moet zich beperken tot zijn eigen vakgebied. Ten tweede moet hij aantonen dat hij bekwaam is deze methode te gebruiken. Ten derde geldt een motiveringseis. De deskundige moet duidelijk maken waarom hij, op grond van de geldende maatstaven, de gebruikte methode heeft gekozen en of deze valide en betrouwbaar is. Overigens lijkt het mij te allen tijde veiliger om naast de deskundige die het onderzoek uitvoert een tweede deskundige te benoemen die rapporteert over de kwaliteit van de methode en de uitvoering van het onderzoek. Het is namelijk eenvoudig om als deskundige jezelf bekwaam te voelen een methode toe te passen en het idee te hebben dat de methode (nog steeds) de standaard in het vakgebied is. Een onafhankelijke derde kan zonder vooroordeel en vooringenomenheid beoordelen of de best geschikte methode is gekozen en op de juiste wijze is ingezet. Zeker omdat in Nederland is gekozen voor een deskundigenregister en niet voor een methodenregister, ligt de nadruk op betrouwbaarheidseisen2 en niet op validiteitseisen.3 Hierdoor wordt veel vertrouwen gelegd in de keuze die de deskundige maakt, die niet ipso facto de juiste is. Dit is eenvoudig op te lossen door een tweede deskundige te benoemen die zich niet op de betrouwbaarheid richt, maar op de validiteit (die op dit moment sterk ondervertegenwoordigd is in het Besluit, het Wetboek van Strafvordering en (daardoor mogelijk ook) de praktijk van deskundigenonderzoek).