Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/1.5.2
1.5.2 Een doorlopend voorbeeld
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598738:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
“Zaf” staat daarbij voor “zelfadministrerend fonds”. Voorheen verrichtten de grootste pensioenfondsen de meeste werkzaamheden zelf. Slechts een klein deel van de werkzaamheden, bijvoorbeeld het beheer van de portefeuille in een gespecialiseerde beleggingscategorie, besteedden zij uit. Thans hebben de grootste pensioenfondsen hun interne uitvoeringsorganisaties verzelfstandigd. Aan die verzelfstandiging liggen allerlei overwegingen ten grondslag: professionalisering (Maatman 2004a, p. 57), de voortzetting van nevenactiviteiten die anders door de zogenoemde Cohenbepalingen onmogelijk zou worden, en de ambitie om internationaal tot excellerende pensioenuitvoeringsbedrijven (“PUB’s”) uit te groeien (Bovenberg, Maatman & Winter 2011, p. 387). Men kan zich afvragen in hoeverre deze pensioenfondsen profijt hebben gehad van de ontzaffing (Bovenberg, Maatman & Winter, p. 387; en Maatman 2012, p. 36). De internationale ambitie is in ieder geval nog niet gelukt. Ik laat het verder voor wat het is. Een beoordeling van de netto-effecten van de ontzaffing zou een apart, economisch onderzoek vergen dat buiten het bestek van dit onderzoek valt. Bovendien is de ontzaffing te beschouwen als een historisch gegeven. Evenzo Maatman 2012, p. 41, die een pleidooi voor zelfadministrerende pensioenfondsen als een achterhoedegevecht betitelt.
Zie www.statistics.dnb.nl > Financiële instellingen > Pensioenfondsen > Macro-economische statistiek pensioenfondsen, onder tabel T8.1, Balans van pensioenfondsen.
Zie voetnoot 17.
Van der Westen 2014b.
Zie www.statistics.dnb.nl > Financiële instellingen > Pensioenfondsen > Toezichtgegevens pensioenfondsen, onder tabel T8.6, Aantallen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden. Het gaat hier om cijfers ultimo 2013.
Commissie Frijns 2010.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30413, nr. 3, p. 9.
Stb. 2006, 709, p. 38.
Maatman & Van der Graaf 2013b, p. 1023.
Een behandeling van de uitbestedingsregels in abstracto bergt het risico in zich van even abstracte conclusies over de (grenzen aan de) invulling die ondernemingen aan hun uitbestedingsrelatie kunnen of moeten geven. Dat zou weinig toevoegen aan het begrip van de uitbestedingsregels. Om zo nauwkeurig als mogelijk de betekenis van de uitbestedingsregels voor de praktijk te onderzoeken, zal ik de analyse van de uitbestedingsregels verrichten aan de hand van een specifieke uitbestedingscasus. Gekozen is voor de casus waarin een pensioenfonds zijn vermogensbeheer of delen ervan uitbesteedt. Daarmee bedoel ik niet de resultaten van mijn onderzoek te beperken tot uitsluitend pensioenfondsen en uitbesteding van vermogensbeheer. Integendeel, het individuele geval dient hier om bredere conclusies te trekken. Dit onderzoek is daarom relevant voor uitbestedingen in de gehele financiële sector.
Er zijn diverse redenen om te kiezen voor uitbesteding van vermogensbeheer door pensioenfondsen als doorlopend voorbeeld. Zo is er geen financiële sector waar op zulke grote schaal wordt uitbesteed als de pensioensector. De “ontzaffing” heeft hier flink aan bijgedragen.1 Alle pensioenfondsen besteden een groot deel van hun werkzaamheden uit.
Pensioenfondsen die met uitzondering van de centrale leiding alle werkzaamheden uitbesteden, zijn geen bijzonderheid. De pensioensector biedt hierdoor een uitvergroting van de uitbestedingskwesties in andere sectoren.
Uitbesteding van vermogensbeheer door pensioenfondsen is ook van groot maatschappelijk belang. De pensioensector is een zeer omvangrijke sector. Begin 2015 beheerden de gezamenlijke pensioenfondsen in Nederland ruim 1.400 miljard euro aan pensioenvermogen.2 Het beheer van dat pensioenvermogen wordt door pensioenfondsen op grote schaal uitbesteed. Circa 90% van de pensioenfondsen besteedt ten minste 30% van het vermogensbeheer uit.3 In totaal gaat het om ongeveer 83,5% van het totale in pensioenfondsen ondergebrachte vermogen.4
Circa 3,1 miljoen gepensioneerden zijn voor hun inkomensonderhoud geheel of gedeeltelijk afhankelijk van uitkeringen uit dit pensioenvermogen. Voor circa 14,6 miljoen mensen die nog niet gepensioneerd zijn, gaat het om hun toekomstige inkomensvoorziening.5
Het maatschappelijk belang wordt nog verder vergroot doordat deze laatste groep mensen in de regel geen keus heeft, maar verplicht deelneemt in een pensioenfonds. Wie geen vertrouwen (meer) heeft in bijvoorbeeld een specifieke bank of zorgverzekeraar, kan kiezen voor een andere financiële dienstverlener. Wie echter geen vertrouwen meer heeft in zijn pensioenfonds, bijvoorbeeld vanwege tekortkomingen bij de uitbesteding van werkzaamheden, is met handen en voeten gebonden. De uitbesteding van vermogensbeheerwerkzaamheden door pensioenfondsen heeft in het verleden ook gebreken vertoond. Daar heeft de commissie Frijns in het rapport lessen uit getrokken.6 Die lessen zijn ook van nut voor dit onderzoek.
Een aanvullende reden om dit doorlopende voorbeeld te kiezen, ligt in de bijzonderheid van de pensioencontext. Bij het opstellen van de Pensioenwet is zo veel als mogelijk aangesloten bij de Wft.7 Dat geldt ook voor de uitbestedingsregels.8 De pensioensector heeft echter ook bijzondere kenmerken, die niet in de rest van de financiële sector voorkomen. Hiervoor noemde ik al dat een begunstigde die ontevreden is over zijn pensioenfonds gewoonlijk niet van pensioenfonds kan wisselen, omdat zijn deelname verplicht is. Een pensioenfonds fungeert bovendien als een “collectieve spaarpot”, zodat pogingen tot schadeverhaal een hoog “sigaar-uiteigen-doos”-gehalte hebben.9 Dat spaarpot-element doet ook af aan de bereidheid van de toezichthouder om financiële sancties op te leggen: de oplegging van sancties dient om de begunstigden te beschermen, maar die financiële sancties worden betaald uit de “spaarpot” die voor diezelfde te beschermen begunstigden bestemd is. Zulke bijzonderheden kunnen afbreuk doen aan de bescherming die de uitbestedingsregels aan begunstigden bieden. Dat roept de vraag op of die naleving in de pensioensector (in een voorkomend geval) wel effectief afdwingbaar is.