Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.1:7.8.1 Bloot eigenaar A moet door verjaring de eigendom verkrijgen
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.8.1
7.8.1 Bloot eigenaar A moet door verjaring de eigendom verkrijgen
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486719:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals gezegd strekt het beperkte recht dat A vestigde zich mede uit over hetgeen A door verjaring verkrijgt op grond van de regels van bekrachtiging (art. 3:58 BW). Hiervoor dient sprake te zijn van het ontbreken van een wettelijk vereiste dat alsnog vervuld wordt. Het ontbrekende vereiste in dit geval is de beschikkingsbevoegdheid van A, aan welk vereiste door de verkrijging door verjaring alsnog voldaan wordt.
Dit betekent dat A degene dient te zijn die door verjaring verkrijgt. De situatie dat de beperkt gerechtigde van A het bezit heeft (van een beperkt recht) van een stuk grond dat in eigendom toebehoort aan buurman B, dient hiervan derhalve onderscheiden te worden. Bezit is niet beperkt tot zaken. Meijers stelt in zijn Toelichting bij het huidige art. 3:107 BW:
“Er zij ten slotte nog op gewezen dat deze titel algemeen handelt over bezit van “goederen”; het bezit wordt dus niet beperkt tot zaken en zakelijke rechten. Ook dit hangt samen met de gevolgen, die bij de regeling van het bezit op de voorgrond staan. Wanneer de bescherming tegen eigenrichting op de voorgrond treedt, dan beperkt men terecht het bezit tot lichamelijke zaken en de absolute rechten die men daarop kan doen gelden. Slechts een zaak immers kan zich zodanig in de particuliere sfeer van de bezitter bevinden, dat een derde die zaak niet tot zich nemen kan zonder op die particuliere sfeer inbreuk te maken. Wanneer men echter de verkrijgende verjaring als uitgangspunt van de bezitsregeling neemt, dan dient men een bezit van ieder goed te erkennen, hetwelk door verjaring verkregen kan worden. Bij ieder vermogensrecht dat niet hoogstpersoonlijk is, is het redelijk na een langdurige, ongestoorde bezitsuitoefening een verkrijging door verjaring te erkennen. Ook een ander gevolg van het bezit, de toekenning der genoten vruchten aan hem, die te goeder trouw heeft bezeten, is bij ieder vermogensbestanddeel op zijn plaats”1
Dit geldt ook voor de extinctieve verjaring. Uit de Memorie van Antwoord bij het huidige art. 3:105 BW wordt gesteld:
“De verjaring van artikel 8 geldt in beginsel voor alle groepen goederen.”2
Dit betekent dat ieder registergoed door verjaring verkregen kan worden.
Stel dat eigenaar A zijn grondstuk bezwaard heeft met een recht van erfpacht ten behoeve van erfpachter X en dat het niet A maar X is, die bezitsdaden verricht ten aanzien van een strook grond die toebehoort aan buurman B. X kan door verjaring een recht van erfpacht verkrijgen op de strook grond die toebehoort aan B, blijkt uit het bovenstaande. Indien echter niet tevens eigenaar A door verjaring (een bloot eigendomsrecht) verkrijgt, vindt er geen aanwas plaats van het door verjaring verkregen recht van erfpacht van X bij het recht van erfpacht dat hij op de grond van A heeft. Er is in dat geval immers sprake van een verschillende rechtstoestand: het ene recht van erfpacht rust op het grondstuk waarvan A (bloot) eigenaar is, terwijl het door verjaring verkregen recht van erfpacht rust op het grondstuk dat in (bloot) eigendom toebehoort aan B. Deze situatie brengt echter geen natrekking, c.q. aanwas met zich en valt daarmee buiten het onderwerp van deze dissertatie.