Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.3.4.2
II.6.3.4.2 Begrip ‘criminal charge’
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378945:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juni 1976, zaaknrs. 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72 en 5370/72 (Engel e.a. t. Nederland). Zie voor de Franse tekst van het arrest NJ 1978, 223.
EHRM 21 februari 1984, zaaknr. 8544/79, NJ 1988, 937 (Öztürk t. Duitsland).
Waarvan in Nederland bijvoorbeeld sprake is in de Wet Mulder.
Vgl. Öztürk § 49.
Albers 2002, p. 86 en Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 108.
Dit was niet het geval in het arrest Escoubet t. België, EHRM 28 oktober 1999, EHRC 1999/6 m.nt. Albers en NJCM-Bulletin 2000, p. 968 m.nt. Viering. In § 34 van dit arrest werd overwogen: ‘The fact that a measure is provided for in a criminal statute of a respondent State does not in itself signify that is falls within the scope of Article 6 of the Convention.’ Zie ook het oordeel van de dissenters. Zij zijn van oordeel dat de autonome uitleg van het begrip criminal charge zoals gehanteerd door het Hof als doel heeft de waarborgen van artikel 6 EVRM te laten gelden, ongeacht of de sanctie naar nationaal recht ook tot het strafrecht behoort. Als een sanctie naar nationaal recht al tot het strafrecht behoort, is het tegenstrijdig om een procedure betreffende zo’n sanctie van toepassing van artikel 6 EVRM uit te sluiten. Zie Albers 2002 p. 87 e.v.
Viering 1994, p. 153, Albers 2002, p. 90 en Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 109.
Viering 1994, p. 155, Albers 2002, p. 90-92 en Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 109.
Albers 2002, p. 90-91 en Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 109.
Michiels en De Waard 2007, p. 15.
Zie Öztürk § 53: ‘Above all, the general character of the rule and the purpose of the penalty, being both deterrent and punitive, suffice to show that the offence in question was, in terms of Article 6 […] of the Convention, criminal in nature.’ In het arrest Lutz uit 1987 wordt naar deze overweging verwezen (§ 54).
Viering 1994, p. 166-167 en Albers 2002, p. 101.
Albers 2002, p. 100-101 en Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 109.
Michiels en De Waard 2007, p. 16.
Engel e.a. § 85.
Barkhuysen en Van Emmerik 2009, p. 107. Zie ook § 81 van het arrest Engel.
EHRM 25 augustus 1987, NJ 1988/938 m.nt. Alkema (Lutz t. Duitsland).
EHRM 24 februari 1994, NJ 1994/496 m.nt. Alkema (Bendenoun t. Frankrijk). Het Hof overweegt: ‘Having weighed the various aspects of the case, the Court notes the predominance of those which have a criminal connotation. None of them is decisive on its own, but taken together and cumulatively they made the “charge” in issue a “criminal” one within the meaning of Article 6 § 1, which was therefore applicable.’
EHRM 24 september 1997, JB 1997/281 m.nt. Heringa (Garyfallou AEBE t. Griekenland) en EHRM 23 november 2006, EHRC 2007/31 m.nt. Albers, AB 2007/51 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik en NJCM-Bulletin 2007, p. 167 e.v. m.nt. Den Houdijker (Jussila t. Finland).
EHRM 27 februari 1980, NJ 1980/561 (DeWeer t. België).
Michiels en De Waard 2007, p. 17.
In de jurisprudentie van het EHRM is in een aantal arresten uiteengezet aan de hand van welke criteria moet worden beoordeeld of sprake is van een criminal charge. Een eerste belangrijk arrest is Engel e.a. t. Nederland.1 In dit arrest hanteert het EHRM een drietal criteria aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een criminal charge. In het arrest Öztürk t. Duitsland2 heeft het EHRM deze criteria bevestigd.
Nationale classificatie van de sanctie
De nationale classificatie vormt het startpunt van de beoordeling van het criminal charge-karakter van een sanctie. Het is echter niet meer dan een startpunt. Hoewel verdragsstaten vrij zijn in de kwalificatie van normschendingen, is deze kwalificatie voor het EHRM niet doorslaggevend. Dat zou er immers toe leiden dat door bijvoorbeeld decriminalisatie3 normschendingen buiten het bereik van art. 6 EVRM gehouden zouden kunnen worden, met als gevolg dat verdragsstaten de daar genoemde waarborgen bij het opleggen van die sancties niet in acht zouden moeten nemen.4 Ook het EHRM beaamt dat dit onwenselijk is. Het feit dat een normschending naar nationaal recht niet onder het strafrecht valt, is dan ook niet van doorslaggevende betekenis. De andere criteria moeten in dat geval worden getoetst om na te gaan of sprake is van een criminal charge. De nationale classificatie wordt dan ook wel gezien als het minst relevant.5 Wanneer een verdragsstaat een normschending daarentegen als strafrechtelijk bestempelt, is dit over het algemeen voldoende voor kwalificatie als criminal charge.6 De autonomie van verdragstaten inzake de kwalificatie van sancties werkt aldus maar één kant op.
Aard van de overtreding
Het tweede criterium dat wordt gehanteerd is de aard van de overtreding. Om te beoordelen wat de aard van de overtreding is, wordt allereerst gekeken tot wie de betreffende norm zich richt (ook wel het normadressaatcriterium genoemd).7 In dat kader is van belang of de norm zich al dan niet richt tot een specifieke beroepsgroep of een meer algemeen bereik heeft. Wanneer dit laatste het geval is, en de norm zich aldus richt tot alle burgers, is dit een indicatie voor de strafrechtelijke aard van de overtreding.8 Normen kunnen echter ook gericht zijn op een bepaalde (beroeps) groep. Het betreft dan overtredingen van tuchtrechtelijke of disciplinaire aard en niet van strafrechtelijke aard.9 Dit is slechts anders indien op basis van het derde criterium toch moet worden geconcludeerd dat sprake is van een criminal charge.10
Aard en zwaarte van de sanctie
Waar bij het eerste en tweede criterium de overtreding (normschending) centraal staat, richt het derde criterium zich op de sanctie. Er wordt gekeken naar zowel de aard als de zwaarte van de sanctie. De aard van de sanctie wordt beoordeeld aan de hand van het sanctiedoel-criterium. Over het algemeen geldt dat een sanctie ‘both deterrent and punitive’ moet zijn, alvorens sprake is van een criminal charge.11 Wanneer de sanctie er dus toe strekt leed toe te voegen en afschrikwekkend te werken, is dit een belangrijke aanwijzing dat sprake is van een criminal charge. Ten tweede moet de zwaarte van de sanctie worden beoordeeld. Daarbij is de zwaarte van de sanctie die maximaal kan worden opgelegd relevant, niet de sanctie die daadwerkelijk is opgelegd.12 Een en ander lijkt vooral te worden bezien vanuit het perspectief van de geadresseerde van de sanctiebeschikking. Wanneer het een lichte sanctie betreft, wordt de zwaarte van de sanctie doorgaans niet beslissend geacht.13 Dit betekent dat ook wanneer sprake is van een lichte sanctie, deze sanctie als criminal charge kan worden gekwalificeerd, namelijk wanneer deze ertoe strekt leed toe te voegen en afschrikwekkend te werken. Zo werd in het arrest Öztürk t. Duitsland aangenomen dat sprake was van een criminal charge, terwijl het om een boete van slechts 60 DM ging. Andersom kan de zwaarte van de sanctie er ook toe leiden dat wanneer op basis van de eerste twee criteria niet van een criminal charge sprake is, de zwaarte van de sanctie aanleiding vormt om toch een criminal charge aan te nemen.14 Dit was bijvoorbeeld het geval in het arrest Engel e.a. t. Nederland. Het betrof tuchtrechtelijke sancties, welke in beginsel niet onder het begrip criminal charge vallen. Nu ten aanzien van een aantal klagers vrijheidsbenemende straffen dreigden te worden opgelegd, oordeelde het EHRM dat toch sprake was van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM.15
Cumulatief of alternatief?
Een volgende vraag is hoe deze criteria zich tot elkaar verhouden. Het eerste criterium is, zoals aangegeven in het arrest Engel e.a. t. Nederland, slechts een startpunt. Wanneer de normschending naar nationaal recht onder het strafrecht valt, dan is sprake van een criminal charge. De nationale classificatie is dan doorslaggevend.16 Wanneer een normschending naar nationaal recht niet behoort tot het strafrecht, dan wordt aan de hand van de andere twee criteria bezien of sprake is van een criminal charge. In het arrest Lutz t. Duitsland overweegt het EHRM ten aanzien van de wijze waarop deze twee criteria zich tot elkaar verhouden:
‘The court points out that the second and third criteria adopted in the judgements in the Engel and others case and the Öztürk case are alternative and not cumulative ones: for art. 6 to apply in virtue of the words “criminal charge”, it suffices that the offence in question should by its nature be ‘criminal’ from the point of view of the Convention, as in the instant case, or should have made the person concerned liable to a sanction which, in its nature and degree of severity, belongs in general to the ‘criminal’ sphere […]’.17
Het tweede en derde criterium zijn dus alternatief: wanneer aan één van beide is voldaan, is sprake van een criminal charge. Hoewel het arrest Bendenoun t. Frankrijk aanleiding gaf tot twijfel,18 is in latere jurisprudentie de lijn uit het arrest Lutz t. Duitsland voortgezet.19
Charge
De hiervoor besproken criteria hebben betrekking op de vraag of sprake is van een charge die criminal is. Het begrip charge blijft dan over. Het EHRM definieert dit begrip als volgt:
‘The “charge” could, for the purposes of Article 6 par. 1 (art. 6-1), be defined as the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence.’20
Het kan gaan om zowel het moment waarop het sanctiebesluit aan de verdachte wordt bekendgemaakt, maar ook al eerder, namelijk wanneer de verdachte om informatie wordt gevraagd met het oog op de oplegging van een bestraffende sanctie.21