Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.1.3.1:3.2.1.3.1 Dépex/Curatoren
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.2.1.3.1
3.2.1.3.1 Dépex/Curatoren
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484306:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/67.
HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412.
HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0774.
HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2116 (Straalcabine-arrest).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na invoering van het huidige BW heeft de Hoge Raad enkele aanwijzingen gegeven omtrent de inhoud van de verkeersopvatting. De belangrijkste1 aanwijzingen zijn gegeven in het arrest Dépex/Curatoren.2
De vraag die in dit arrest centraal stond was of een onder eigendomsvoorbehoud geleverde waterdistillatie-inrichting naar verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW) bestanddeel was geworden van het fabrieksgebouw waarin het stond en daardoor het eigendomsvoorbehoud teniet was gegaan.
De Hoge Raad overwoog:
“Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als een zaak moet worden gezien. Wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt hierin een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag. Hetzelfde geldt wanneer het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw – gebouw dienende tot het huisvesten van een produktie-inrichting – bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze laatste maatstaf komt het niet aan op de functie welke de apparatuur (eventueel) vervult in het produktieproces.”
De Hoge Raad gaf in het arrest Dépex/Curatoren derhalve twee aanwijzingen ter invulling van de verkeersopvatting van art. 3:4 lid 1 BW:
Zijn gebouw en apparatuur in constructief opzicht op elkaar afgestemd?
Moet het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid worden beschouwd?
In het arrest Ontvanger/Rabobank3 bevestigde de Hoge Raad dat het bij de vraag of apparatuur bestanddeel van een gebouw is geworden niet gaat om de functie van de apparatuur in het productieproces, maar om de incompleetheid van de gebouwen waarin de apparatuur was opgesteld. Dit wordt wel de ‘incompleetheidstoets’ genoemd.
De arresten Dépex/Curatoren en Ontvanger/Rabobank zijn gewezen onder vigeur van het Oud BW. Dat de hierin vervatte aanwijzingen nog steeds gelden onder het huidige artikel 3:4 lid 1 BW, werd bevestigd is het Straalcabine-arrest.4