Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.5.2
8.5.2 Het standaardgeval bij andere organen dan het bestuur: de rol van besluiten
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596146:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Maar niet volledig: ook wanneer (een lid van) een orgaan toevallig of onvrijwillig bij een rechtsverhouding betrokken raakt, kan sprake zijn van voldoende betrokkenheid om een standaardsituatie aan te nemen. Vgl. de situatie beschreven in par. 7.8.2.
Zie Sanders & Westbroek 2005, p. 156.
Dortmond e.a. 2013/228, p. 469; Kemp 2015, p. 164-165.
Van Schilfgaarde 2013/98, p. 315; Dortmond e.a. 2013, p. 469.
Volgens Van Schilfgaarde 2013/94, p. 303 en Verdam 2013 zijn besluiten van vennootschappelijke organen vernietigbaar op grond van dwaling (art. 6:228 jo 6:216 BW). Anders: Dortmond e.a. 2013/224, p. 463-464, maar die achten in dwalingsgevallen vernietiging mogelijk op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW (redelijkheid en billijkheid). Dortmond e.a. achten verdedigbaar dat bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden opgaan in de vernietigingsgrond redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW).
Zie Van Schilfgaarde 2013/98, p. 316 e.v. en de conclusie van A-G Timmerman bij HR 26 november 2010, NJ 2011/55 (Silver Lining), par. 3.3-3.6. Timmerman vindt de term ‘besluit met indirect externe werking’ verwarrend omdat sommige van die besluiten wel vernietigbaar zijn op grond van art. 2:16 lid 2 BW en andere niet. Dat bezwaar speelt echter niet bij de toerekening van kennis.
De meeste indirect extern werkende besluiten hebben geen invloed op de geldigheid van de rechtshandelingen waar zij betrekking op hebben; zie art. 2:45 BW/ art. 2:130 BW/ art. 2:240 BW/ art. 2:292 lid 3 BW.
Zie randnummers 145 en 201 over de relevantie van de mogelijkheid tot ingrijpen voor het toerekenen van kennis.
263. Andere organen dan het bestuur kunnen maar met een beperkt aantal handelingen invloed uitoefenen op de relatie tussen de rechtspersoon en diens wederpartijen. Deze handelingen zijn bovendien vrij nauwkeurig omschreven in wet en statuten. Daarmee kunnen de standaardgevallen voor andere organen dan het bestuur grotendeels1 eenvoudigweg worden opgesomd. De wet voorziet erin dat andere organen dan het bestuur handelen door middel van het nemen van besluiten. Die besluiten zijn soms rechtshandelingen (daarover hierna meer). In uitzonderlijke situaties zal een ander orgaan dan het bestuur rechtshandelingen of feitelijke handelingen kunnen verrichten die de rechtspersoon binden anders dan door middel van een besluit. Denk aan de rvc die met de accountant een overeenkomst van opdracht sluit inzake het onderzoek van de jaarrekening (art. 2:393 lid 2 BW). Ook kunnen de statuten voor specifieke situaties vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen aan een ander orgaan dan het bestuur. Het ene orgaan kan daarnaast vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen aan een ander orgaan, niet zijnde het bestuur. Een veel voorkomend voorbeeld is de rvc die met instemming van de algemene vergadering namens de rechtspersoon een gedetailleerde arbeidsovereenkomst sluit met een nieuwe bestuurder, terwijl de ava alleen stemt over de benoeming.2 In dergelijke gevallen kan de kennis van de rvc als vertegenwoordigend orgaan naar mijn mening aan de rechtspersoon worden toegerekend op dezelfde wijze als bij gevolmachtigden (zie hoofdstuk 6).
264. Ten aanzien van besluiten van organen bestaan twee typen standaardsituaties:
gevallen waarin het orgaan de rechtspersoon rechtstreeks bindt jegens een derde;
gevallen waarin een besluit van het orgaan indirect invloed heeft op de relatie tussen de rechtspersoon en een derde.
Besluiten van het eerste type worden wel besluiten met direct externe werking genoemd. Deze besluiten zijn in feite rechtshandelingen waarbij het orgaan dat het besluit neemt, de rechtspersoon vertegenwoordigt.3 Een voorbeeld is de benoeming van een bestuurder door de algemene vergadering. Het individu dat het besluit meedeelt aan de wederpartij (bv. mededeling aan de bestuurder van zijn benoeming) verricht geen rechtshandeling, maar is slechts bode.4 Net als andere rechtshandelingen zijn direct extern werkende besluiten vernietigbaar wegens wilsgebreken en wegens benadeling van schuldeisers.5
Het tweede type wordt aangeduid als besluiten met indirect externe werking.6 Dit zijn besluiten die vereist zijn voor de geldigheid van rechtshandelingen van de rechtspersoon of die voorbereiden op een rechtshandeling of feitelijke handeling van de rechtspersoon. Dergelijke voorbereidingsbesluiten zijn bijvoorbeeld de wettelijk of statutair voorgeschreven goedkeuring van een bestuursbesluit.7
265. Bij het nemen van beide typen besluiten zal doorgaans sprake zijn van een standaardsituatie: uit het enkele feit dat een orgaan bevoegd is tot het nemen van een besluit met externe werking volgt reeds dat het tot de verantwoordelijkheid van het orgaan behoort om maatregelen te treffen naar aanleiding van verkregen informatie die relevant is voor de rechtsverhouding die door dat besluit wordt beïnvloed.8 Door middel van het nemen van het besluit is het bevoegde orgaan (nauw) betrokken bij het te beoordelen aspect van de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en de wederpartij. Bij direct extern werkende besluiten is, net als bij andere rechtshandelingen, de vertegenwoordigingsbevoegdheid doorslaggevend. Bij indirect extern werkende besluiten krijgen de gezichtspunten instructiemacht en informatiepositie meer gewicht: juist met betrekking tot de handeling die met goedkeuring van een orgaan moet worden verricht, kan het orgaan concrete instructies geven en zal het orgaan over relatief veel informatie beschikken. In het hiernavolgende zal steeds worden beschouwd tot welke besluiten met externe werking het desbetreffende orgaan bevoegd is.