Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/2.6.2
2.6.2 Een creditors’ bargain of een sociaal contract tussen alle onderdanen?
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook D.R. Korobkin, Contractarianism and the Normative Foundations of Bankruptcy Law, 71 Tex. L.Rev. 541 1992-1993, p. 554 e.v. en R.K. Rasmussen, An Essay on Optimal Bankruptcy Rules and Social Justice, U. Ill.L.Rev. 1 1994 p. 13. Rasmussen noemt in dit verband ook het mogelijke effect op concurrenten en draagt daartoe de zaak van Eastern Airlines aan als voorbeeld: “Because of the Bankruptcy Code’s automatic stay, Eastern did not have to pay its prepetition debt; it merely had to pay current expenses. In economic terms, Eastern only had to pay the marginal costs of continued operations rather than the average cost. In an attempt to win back customers, Eastern lowered its fares, beginning a fare war which caused losses throughout the entire industry.”
Zie ook D.R. Korobkin, Rehabilitating values: a jurisprudence of bankruptcy, 91 Columbia Law Review 717 (1991), p. 738 en voetnoot 91 en D.R. Korobkin, Contractarianism and the Normative Foundations of Bankruptcy Law, 71 Tex. L.Rev. 541 1992-1993, p. 554 e.v.
Zie in vergelijkbare zin R.K. Rasmussen, An Essay on Optimal Bankruptcy Rules and Social Justice, U. Ill.L. Rev. 1 1994 p. 12: “Use of the veil of ignorance is indeed a valuable approach to assessing bankruptcy law. Rather than artificially narrowing the inquiry solely to a particular firm in distress, or specific creditors of that firm, use of the veil of ignorance permits an examination of a bankruptcy regimes overall effects on the way in which the basic structure distributes society’s primary goods.” Zie in dezelfde zin voorts D.R. Korobkin, Contractarianism and the Normative Foundations of Bankruptcy Law, 71 Tex. L.Rev. 541 1992-1993.
Overigens zouden Jackson en Baird in ieder geval afkeuren dat een vordering uit artikel 2:248 BW uitsluitend kan ontstaan na opening van een faillissementsprocedure. De opening van de faillissementsprocedure op zichzelf leidt dan tot een wijziging van de materiële positie (te weten tot het ontstaan van een vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid). Dit kan een oneigenlijke strategische prikkel in het leven roepen om een faillissementsprocedure te openen of juist te voorkomen, terwijl voor het overige het openen respectievelijk uitstellen van de faillissementsprocedure niet de belangen van de crediteuren als groep dient (afgezien van de bestuurdersaansprakelijkheidsvordering). Zij zouden bepleiten dat een vordering uit artikel 2:248 BW wellicht zou kunnen ontstaan in geval van financiële insolventie maar dat het ontstaan van de vordering onafhankelijk zou moeten zijn van de opening van een faillissementsprocedure (zie hierover ook de volgende paragraaf).
Waar een rechtvaardig systeem volgens Rawls een weerspiegeling zou moeten vormen van een hypothetisch contract dat alle personen vanachter een “veil of ignorance” met elkaar zouden aangaan, stoelen Jackson en Baird de rechtvaardigingsgrond voor een faillissementssysteem op een hypothetische bargain tussen alleen de crediteuren.
Men zou dan ook aan Jackson en Baird kunnen tegenwerpen dat de rechtvaardigingsgrond die zij aandragen, namelijk de creditors’ bargain, een te smalle basis heeft. Een faillissement raakt niet alleen de belangen van crediteuren. Het raakt ook de belangen van anderen, zoals de schuldenaar, de werknemers, de aandeelhouders, de bestuurders en mogelijk ook andere derden, bijvoorbeeld indien sprake is van milieudelicten.1 Hoe kan het faillissementsrecht zijn rechtvaardiging vinden in een bargain tussen alleen de crediteuren, terwijl een faillissement ook de belangen van anderen raakt?
De faillissementstheorie van Jackson en Baird krijgt allereerst een bredere basis indien men bedenkt dat het er niet om gaat wat bepaalde personen in de maatschappij die als crediteur plegen op te treden, als faillissementssysteem met elkaar in de Beginpositie zouden hebben afgesproken. Het gaat erom wat alle onderdanen van een maatschappij met elkaar in de Beginpositie als faillissementssysteem zouden hebben afgesproken als eenieder zich daarbij in de positie van de crediteur verplaatst. Het systeem vormt dan wel degelijk een weerspiegeling van een sociaal contract tussen alle onderdanen en niet alleen een bargain tussen hen die als crediteur plegen op te treden. Beschouwd vanuit de Beginpositie zou eenieder immers later in de positie van een crediteur van een insolvente schuldenaar terecht kunnen komen.
De vervolgvraag is dan waarom alle mensen bij het afspreken van een faillissementssysteem vanuit de Beginpositie uitsluitend de positie van de crediteuren in ogenschouw zouden moeten nemen? Waarom zou men niet ook de positie van anderen die bij een faillissement betrokken kunnen raken bij de afweging moeten betrekken? Eenieder zou ook in de positie van zo’n andere betrokkene terecht kunnen komen.
Voordat men aan de beantwoording van deze vraag toekomt, is het goed om voor ogen te houden dat de feitelijke gevolgen die men een faillissement toedicht (gedwongen verkoop, verlies aan werkgelegenheid, etc.), niet zozeer voortvloeien uit het faillissementsrecht zelf maar uit het gewone civiele (proces)recht dat aan afspraken bindende werking toekent en partijen individuele verhaalsrechten geeft om hun verkregen vorderingen te effectueren. De typische gevolgen van een deconfiture zou men ook waarnemen, en vermoedelijk zelfs in versterkte mate, indien men het aan zou laten komen op ongecontroleerde individuele verhaalsuitoefening.
In de theorie van Jackson en Baird is het niet nodig om de positie van anderen dan de crediteuren te beschouwen. Zij stoelen hun theorie uitsluitend op de reeds bestaande individuele verhaalsrechten van crediteuren en veronderstellen een beperkt faillissementssysteem. Dit beperkte faillissementssysteem maakt uitsluitend inbreuk op de rechten van de crediteuren. Het zijn de crediteuren die hun individuele verhaalsrechten moeten inleveren. Zij krijgen daarvoor een collectieve verhaalsprocedure in de plaats. Deze collectieve verhaalsprocedure roept ten opzichte van de schuldenaar of derden geen nieuwe rechten of verplichtingen in het leven. De collectieve procedure is niet meer dan een bundeling van reeds bestaande individuele verhaalsrechten en de gecoördineerde uitoefening daarvan. Het enkele feit dat gecoördineerde collectieve verhaalsuitoefening in de plaats komt van ongecoördineerde individuele verhaalsuitoefening gaat niet ten koste van anderen. Integendeel, ook anderen dan de crediteuren hebben bij een maximale opbrengst belang, zoals de schuldenaar, aandeelhouders, bestuurders die mogelijk voor een tekort aansprakelijk zijn, borgen en andere medeschuldenaren. Een uitzondering vormt wellicht een koper die de mogelijkheid verliest om uit een ongecontroleerde piecemeal verkoop goederen voor een appel en een ei te kopen. Dit is echter geen belang dat rechtens bescherming verdient.
De creditors’ bargain theorie is voor een rechtvaardiging van de meeste faillissementssystemen mijns inziens niettemin te beperkt.2 Faillissementssystemen houden in werkelijkheid vaak meer in dan slechts de inwisseling van individuele verhaalsrechten voor een collectief executiesysteem. Zij roepen vaak ook voor anderen dan de crediteuren feitelijke en juridische gevolgen in het leven. Denk bijvoorbeeld aan de instelling van een curator, de specifieke faillissementsrechtelijke gronden voor de beëindiging van lopende overeenkomsten, de gevolgen voor werknemers, aansprakelijkheid van bestuurders, etc. Dit maakt het mijns inziens nodig om het model uit te breiden en de posities van die anderen bij het model, de hypothetische ex ante bargain, te betrekken.3 Men zou kunnen zeggen dat de creditors’ bargain theory dan uitgroeit tot een “stakeholders’ bargain theory”. Bij het beoordelen van een systeem vanuit de Beginpositie moet ieder er dan vanuit gaan dat hij of zij niet alleen in de positie van de crediteur terecht zou kunnen komen, maar met een even grote kans in die van een andere stakeholder.
Bij wijze van voorbeeld is het interessant om op deze manier de bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:248 BW te beoordelen. Dit is een aansprakelijkheidsgrond die door faillissement in het leven wordt geroepen. In de creditors’ bargain theory waarbij alle mensen zich bij het beoordelen van het systeem vanuit de Beginpositie uitsluitend hoeven te verplaatsen in de positie van crediteur, zijn de draconische gevolgen voor bestuurders van een te late deponering altijd toe te juichen. De crediteuren varen daar altijd wel bij. Een rechtvaardig systeem vereist echter dat men bij de ex ante bargain ook de positie van de bestuurder in dit geval betrekt. Bij het beoordelen van het systeem vanuit de Beginpositie moet ieder er dan vanuit gaan dat hij of zij niet alleen in de positie van de crediteur terecht zou kunnen komen, maar met even grote kans in die van bestuurder. Een persoon die veelvuldig in de positie van crediteur verkeert, zal vanuit de Beginpositie waarin hij dit niet weet en hij ervan uit moet gaan dat hij even waarschijnlijk in de positie van bestuurder terecht zou kunnen komen, de draconische gevolgen van een te late deponering mogelijk te ver vinden gaan.4
In hoofdstuk 3 hierna licht ik toe dat een pre-insolventieakkoord in de door mij voorgestane vorm primair een vorm van verhaalsuitoefening betreft die geen wezenlijk verdere gevolgen met zich brengt dan uit verhaalsuitoefening voorvloeien. Om deze reden volstaat voor de beschouwing van het pre-insolventieakkoord het creditors’ bargain model als normatieve toetsingsmaatstaf en is een uitbreiding naar een stakeholders’ bargain model niet nodig.