Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.1:3.1 Bestanddelen onder vigeur van het Oud BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.1
3.1 Bestanddelen onder vigeur van het Oud BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489133:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat men van mening was dat het begrip bijzaak aanleiding tot misverstanden kon geven. ‘Het misverstand wordt in het gewijzigd ontwerp vermeden doordat het begrip ‘bijzaak’ uit het tweede lid is geschrapt’, zie MvA II, PG Boek 3, p. 75.
OM, PG Boek 3, p. 83.
TM, PG Boek 3, p. 83.
MvA II, PG Boek 3, p. 77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Oud BW onderscheidde drie onzelfstandige zaken: bestanddelen, bijzaken en hulpzaken.
Art. 556 oud BW bepaalde:
“Al hetgeen door regt van natrekking tot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoo wel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lang dezelve tak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit.”
Art. 562 oud BW gaf in de laatste zin invulling aan het begrip ‘bijzaak’:
“En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.”
De hulpzaken werden opgesomd in art. 563 oud BW, waarin als laatste zin een omschrijving is opgenomen:
“En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden heeft.”
Meijers had in zijn ontwerp voor de regeling omtrent bestanddeelvorming de term ‘bijzaak’ nog gehandhaafd. Het ontwerp voor lid 2 van het huidige art. 3:4 BW luidde aanvankelijk:
“Een zaak, die met een hoofdzaak zodanig verbonden is, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder de hoofdzaak te beschadigen of te breken, is een bijzaak en vormt een bestanddeel van die hoofdzaak.”
Bij invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in 1992 werd dit onderscheid echter geschrapt. Aangezien het al jaren onduidelijk was wanneer er sprake was van een bestanddeel en wanneer van een bijzaak, stierf deze laatste een stille dood in het Ontwerp Meijers.1 Tevens werd het begrip hulpzaak geschrapt. Volgens de oorspronkelijke tekst waren hulpzaken zaken die ‘volgens verkeersopvatting bestemd zijn om een bepaalde hoofdzaak duurzaam te dienen zonder daarvan bestanddeel te zijn, en die door hun vorm als zodanig te herkennen zijn.’2 De hulpzaak onderscheidde zich van een bestanddeel, doordat zij niet aard- of nagelvast verbonden mocht zijn of om een andere reden volgens verkeersopvatting een bestanddeel van de hoofdzaak mocht uitmaken.3 Omdat deze vage formulering voor veel onduidelijkheid zorgde, werd uiteindelijk besloten ook het hulpzaakbegrip te schrappen.
In het huidige BW is er dus voor gekozen om te kiezen voor één begrip, namelijk ‘bestanddeel’ en de regeling omtrent bestanddeelvorming in één wetsartikel te vatten: art. 3:4 BW. Dit omdat het ‘een aanmerkelijke vereenvoudiging’4 met zich zou brengen. Maar hoe eenvoudig is het huidige art. 3:4 BW?