De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.4:2.4 Wijzigingen in de jaren ’50
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/2.4
2.4 Wijzigingen in de jaren ’50
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS380102:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1952/53, 3042, 3, p. 5.
Stb. 1953, 580.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Al per 1 januari 1954 wordt de Huurwet herzien. De wijziging vloeit voort uit herziening van de huurprijzen. De huurprijsbescherming voor huurders van ongebouwde onroerende zaken komt met deze wijziging te vervallen. Verhuurders zijn vanaf dit moment dan ook vrij om de huur te verhogen naar hun eigen goeddunken. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat in de praktijk is gebleken dat de jaren ervoor slechts in een paar gevallen een beroep is gedaan op de mogelijkheid om een hogere huurprijs te bepalen op grond van het Besluit bijzondere huurprijzen.1 De wetgever concludeert hier kennelijk uit dat de kans dat verhuurders tot onaanvaardbare huurprijsverhogingen zullen overgaan als de huurprijsbescherming wegvalt, gering is. Het belang bij de regeling zou daarom te klein zijn om deze te handhaven. Men onderbouwt niet in hoeveel gevallen er in de afgelopen jaren gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de huurprijs te verhogen en vanaf welk aantal het belang groot genoeg zou worden geacht om de regeling te handhaven.
Daarnaast wordt opgemerkt:
‘Daarbij worde ook bedacht, dat – afgezien van enkele door particulieren geëxploiteerde opslagterreinen en sportterreinen – verhuurd ongebouwd onroerend goed praktisch geheel in handen is van de Overheid. Te denken valt b.v. aan gemeentelijke sportterreinen, havenkaden, opslagterreinen op de gemeentelijke handelsinrichtingen, oeverterreinen van de Rijkswaterstaat, Domeingronden, enz. Bij een gedeelte van deze terreinen speelt bovendien de huurprijs van de grond slechts een ondergeschikte rol bij het bepalen van de verschuldigde gebruiksvergoeding. De kosten van het leveren van bijkomende voorzieningen, zoals schoonhouden van het terrein, lonen van terreinknechts en toezichthoudend personeel, zijn in vele gevallen van grotere invloed op de totale betalingsverplichting.
Een en ander in aanmerking nemende, menen de ondergetekenden de hierboven gestelde vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. In het onderhavige ontwerp van wet wordt daarom voorgesteld, de huurprijsbeheersing voor het ongebouwd onroerend goed op te heffen.’
De wetgever heeft haar beslissing om de huurprijsbescherming voor huurders van ongebouwd onroerend goed te laten vervallen dus gebaseerd op het uitgangspunt dat het overgrote deel van de ongebouwde onroerende zaken wordt verhuurd door de overheid. Hoewel dit niet met zoveel woorden wordt gezegd, gaat men er kennelijk van uit dat de overheid, anders dan particuliere verhuurders, slechts als dat werkelijk nodig is gebruik zal maken van de mogelijkheid om de huurprijs te verhogen, althans dat de overheid geen misbruik van de mogelijkheid van huurprijsverhoging zal maken. Het ineens opheffen van de huurprijsbescherming wordt door de wetgever dan ook niet als een te grote stap gezien. Het vrijlaten van de huur zou naar verwachting niet tot een ontoelaatbare verhoging van de huurprijzen leiden.2
De wijzigingen zijn per 1 januari 1954 van kracht geworden.3 De huurprijsbescherming voor ongebouwde onroerende zaken is nadien niet meer in de Huurwet, noch in enige andere wet teruggekeerd.
De huurbescherming zoals die in artikel 18 Huurwet is opgenomen (zoals geciteerd in paragraaf 2.3), feitelijk neerkomend op een ontruimingsbescherming, blijft wel gehandhaafd. Desondanks is de positie van de huurder, althans in theorie, wel verzwakt. De verhuurder kan immers weliswaar de huurder niet zonder meer tot ontruiming dwingen als hij de huurovereenkomst heeft beëindigd, maar de verhuurder zou door het doorvoeren van huurprijsverhogingen via een omweg kunnen bereiken dat de huurder vertrekt, simpelweg omdat deze de huur niet meer kan opbrengen. Of van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt, is mij niet bekend. Op basis van de regelgeving en de mogelijkheden die deze biedt kan ik slechts vaststellen dat het ‘uitkleden’ van de juridische positie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak met het wegvallen van de huurprijsbescherming een aanvang heeft genomen. In 1960 is deze ontwikkeling voltooid door de ongebouwde onroerende zaken volledig buiten de werking van de Huurwet te brengen.