Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.2.4.2
III.11.2.4.2 Europese subsidies
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378950:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Van den Brink 2012, p. 194 e.v. en Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 224 e.v.
Van den Brink 2012, p. 440.
Uiteindelijk resulterend in een arrest van het Hof van Justitie. Zie HvJ EG 13 maart 2008, AB 2008/ 207 m.nt. Den Ouden en JB 2008/104 m.nt. Bok.
In het Nederlandse subsidiesysteem moet eerst een beslissing tot intrekking worden genomen, alvorens tot terugvordering over te kunnen gaan. Vgl. art. 4:57 lid 1 Awb.
Zie onder meer ABRvS 30 augustus 2006, JB 2006/303 m.nt. Bok en AB 2007/240 m.nt. Jacobs en Den Ouden onder nr. 241 en ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007/241 m.nt. Jacobs en Den Ouden.
Derhalve kon worden betwijfeld of sprake was van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn.
Vgl. onder meer Den Ouden 2008, p. 19, Jacobs, Ortlep 2011, p. 373 en Van den Brink 2012, p. 239 e.v.. Zie uitgebreid over dit arrest Jacobs, Den Ouden en Verheij 2008.
Zie onder meer ABRvS 24 december 2008, JB 2009/53 m.nt. Bok, ABRvS 24 december 2008, AB 2009/95 en ABRvS 24 december 2008, AB 2009/96 m.nt. Den Ouden.
Vgl. Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 239-240. Zij wijzen vervolgens op ABRvS 30 december 2009, AB 2010/283 m.nt. Van den Brink en Den Ouden, waarin deze lijn door de Afdeling wordt gecontinueerd.
Volgens Den Ouden is een verordeningsconforme uitleg van art. 4:49 Awb overbodig, nu de bevoegdheid tot intrekking in de redenering van de Afdeling rechtstreeks uit het Unierecht voortvloeit. Van den Brink weerspreekt dit, door te stellen dat verordeningsconforme interpretatie nodig is, omdat uit art. 23 CoVo enkel een bevoegdheid voor de lidstaat voortvloeit. Volgens Van den Brink wordt art. 4:49 Awb enkel verordeningsconform geïnterpreteerd om het bevoegde bestuursorgaan de identificeren. Vgl. Van den Brink 2012, p. 600. Vgl. Den Ouden in AB 2009/96. Vgl. voorts Bok in JB 2009/53, punt 11 en 12. Volgens Bok is de verordeningsconforme uitleg zoals de Afdeling deze geeft inconsequent. Echter, naar zijn oordeel is verordeningsconforme interpretatie wel degelijk nodig, maar dan vanwege het feit dat het Hof van Justitie heeft gesteld dat een verplichting tot intrekking bestaat, maar over een eventuele bevoegdheid daartoe op grond van het Unierecht zwijgt. Nu een bevoegdheid tot intrekking op grond van het nationale recht ontbreekt, is een verordeningsconforme interpretatie van art. 4:49 Awb volgens hem vereist, om toch tot een dergelijke grondslag te komen.
ABRvS 24 december 2008, AB 2009/96 m.nt. Den Ouden.
Volgens Den Ouden kan een en ander worden verklaard vanwege het feit dat art. 4:49 Awb slechts wordt gebruikt om te bepalen welk bestuursorgaan tot intrekking bevoegd is: ‘De terugvorderingsbevoegdheid volgt in de argumentatie van de Afdeling rechtstreeks uit het communautaire recht, art. 4:49 Awb hoeft slechts te worden gebruikt om het bevoegde bestuursorgaan te identificeren en hoeft voor die functie niet anders te worden uitgelegd dan gebruikelijk is binnen het Nederlandse subsidierecht. Vanuit het identificatieperspectief kan ook worden verklaard dat de Afdeling geen sub-grond noemt, terwijl art. 4:49, eerste lid Awb, drie verschillende intrekkingsgronden bevat. Wanneer het slechts gaat om aanwijzing van het bevoegde bestuursorgaan is een verdere specificatie van de reden van intrekking immers niet noodzakelijk.’ Vgl. punt 6 van de annotatie van Den Ouden in AB 2009/96.
Van den Brink merkt op dat op grond van het nationale recht wel degelijk een bevoegdheid tot intrekking bestaat (namelijk art. 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb), maar dat deze in casu niet kan worden toegepast, omdat geen sprake is van een kennelijke fout in de subsidievaststelling. Volgens haar is de eerste stap die de Afdeling maakt (de lidstaat kan aan art. 23 CoVo een bevoegdheid tot terugvordering ontlenen) niet nodig, maar volstaat een verordeningsconforme uitleg van art. 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb voor het construeren van een terugvorderingsbevoegdheid. Zij nuanceert een en ander door op te merken dat de Afdeling in eerdere uitspraken inzake de ESF-affaire al had overwogen dat de in art. 4:49 lid 1 Awb neergelegde gronden zich niet voordeden. Door vervolgens alsnog toepassing te geven aan art. 4:49 Awb zou sprake zijn van het contra legem interpreteren van het nationale recht, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Door te overwegen dat een bevoegdheid wordt ontleend aan art. 23 CoVo, wordt een dergelijke interpretatie vermeden. Zie Van den Brink 2012, p. 601.
HvJ EU 21 december 2011, AB 2013/86 m.nt. Van den Brink (Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre).
Zie over dit arrest voorts Van denk Brink en Den Ouden 2014, p. 84 e.v.
Overwogen werd: ‘Daaruit kan worden afgeleid dat de in deze bepaling vervatte verplichting voor de lidstaten tot terugvordering ook een zelfstandige Unierechtelijke grondslag voor de terugvordering door nationale autoriteiten van ontvangers van geldbedragen vormt.’ Zie conclusie A-G Kokott 23 januari 2013, C-568/11.
HvJ EU 20 juni 2013, AB 2014/270 m.nt. Van den Brink en Den Ouden.
ABRvS 20 november 2013, AB 2014/279 m. n.t Van den Brink en Den Ouden en JB 2014/4.
HvJ EU 18 december 2014, AB 2015/225 m.nt. Van den Brink en Den Ouden.
Zie onder meer Den Ouden in haar annotatie bij het Agroferm-arrest (HvJ EU 20 juni 2013, AB 2014/270 m.nt. Van den Brink en Den Ouden) en Veldwijk en Van den Brink in hun annotatie bij CBb 12 december 2013, AB 2015/96.
HvJ EG 21 september 1983, zaak 205-215/82 (Deutsche Milchkontor).
Van den Brink 2012, p. 446-447.
Van den Brink 2012, p. 449 e.v., Jacobs, Den Ouden en Verheij 2011, p. 250.
Van den Brink 2012, p. 450 met een verwijzing naar het arrest Huber (HvJ EG 19 september 2002, C-336/00).
HvJ EG 21 juni 2007, AB 2007/239 m.nt. Griffioen en Den Ouden.
Van den Brink 2012, p. 455.
Ortlep 2011, p. 365.
Jans, Prechal en Widdershoven 2011, p. 160.
Van den Brink 2012, p. 456.
Ten aanzien van art. 4:46 lid 2 Awb hanteert de Afdeling soortgelijke overwegingen. Vgl. ABRvS 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8291. In deze zaak oordeelde de Afdeling wat betreft de aanwezigheid van een kennelijke schending dat de subsidieontvanger niet aan de doelstelling van de subsidieregeling had voldaan en derhalve de opleidingsactiviteiten niet overeenkomstig de subsidievoorwaarden uitgevoerd. Dat is opvallend nu de te subsidiëren activiteiten waren gewijzigd op aansturen van het bevoegde bestuursorgaan.
HvJ EU 20 juni 2013, AB 2014/270 m.nt. Van den Brink en Den Ouden.
Van den Brink en Den Ouden in hun annotatie bij het arrest SOMVAO.
HvJ EU 18 december 2014, AB 2015/225 m.nt. Van den Brink en Den Ouden.
Een tweede situatie waarin bij (het intrekken van) subsidies sprake is van een Unierechtelijke component is de situatie waarin subsidies worden gefinancierd uit Europese middelen. Bekend zijn de zogenaamde structuurfondsen zoals het Europees Sociaal Fonds (hierna: ESF). Zoals gezegd worden dergelijke subsidies ook wel aangeduid als Europese subsidies. Bij de normering van deze subsidies is (veelal) sprake van een samenspel tussen Europese en nationale regelgeving. Onder omstandigheden dient namelijk nationaal recht te worden toegepast ter uitvoering van Europese subsidieregelgeving.1 Er wordt dan wel gesproken over indirecte toepassing van EU-recht.2 Onder omstandigheden doen zich hier complicaties voor.
Een bekend voorbeeld van een situatie waarin sprake was van dergelijke complicaties is de rechtspraak omtrent de zogenaamde ESF-affaire.3 Aan diverse partijen was subsidie verstrekt uit het Europees Sociaal Fonds. Later bleek dat niet was gehandeld conform de van toepassing zijnde ESF-regeling en werd overgegaan tot intrekking, respectievelijk lagere vaststelling van de subsidies. Een verplichting tot terugvordering bestond namelijk op grond van de van toepassing zijnde Europese verordening, meer specifiek art. 23 van de Coördinatieverordening (CoVo).4 Diverse subsidieontvangers startten naar aanleiding hiervan een juridische procedure, hetgeen resulteerde in een 17-tal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak in 2006.5 Een van de vragen die de Afdeling moest beantwoorden was of er in het Nederlandse recht een wettelijke basis aanwezig was voor het lager vaststellen respectievelijk intrekken en terugvorderen van de subsidies. In een van de zaken waarin de subsidie nog niet was vastgesteld, werd toepassing gegeven aan art. 4:46 lid 2 Awb. De Afdeling echter meende dat het vertrouwensbeginsel zich verzette tegen terugvordering op grond van art. 4:57 Awb. In een andere zaak was de subsidie reeds vastgesteld, maar werd deze vaststelling weer ingetrokken op grond van art. 4:49 lid 1 onder a Awb, omdat de projectadministratie, naar later bleek, niet voldeed aan de daaraan in de ESF-regeling gestelde eisen. Deze bepaling bleek echter moeilijk toepasbaar, nu het bevoegde bestuursorgaan had nagelaten de administratie tijdig te controleren.6 Ook de andere in art. 4:49 lid 1 Awb genoemde gronden deden zich niet voor. De Afdeling bestuursrechtspraak besloot over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Bevoegdheidsgrondslag
Een eerste vraag die de Afdeling stelde betrof de vraag naar de bevoegdheid om de verstrekte subsidies terug te vorderen. Deze vraag was relevant, nu de Afdeling van mening was dat het nationale recht (meer in het bijzonder: de subsidietitel van de Awb) geen grondslag bood voor deze terugvordering. Zoals gezegd bestond wel een verplichting hiertoe op grond van art. 23 van de CoVo. Het HvJ EU overwoog ten aanzien van deze bepaling dat daarin een verplichting is neergelegd om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen,
‘zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is’.
Met dit antwoord werd de door de Afdeling bestuursrechtspraak gestelde vraag niet beantwoord. Uit deze overweging kan immers enkel worden afgeleid dat voor de lidstaat een verplichting tot terugvordering bestaat ingeval sprake is van misbruik of nalatigheid. Maar dat was al bekend. Een en ander vloeide namelijk reeds voort uit art. 23 CoVo. Of dat ook betekent dat een bevoegdheidsgrondslag in de nationale regelgeving niet is vereist, lijkt niet uit deze overweging te kunnen worden afgeleid.7
De Afdeling bestuursrechtspraak was niettemin genoodzaakt aan de hand van het door het HvJ EU gegeven antwoord uitspraak te doen. Dit deed zij in diverse uitspraken van 24 december 2008.8 Wat betreft de bevoegdheid tot intrekking oordeelde de Afdeling dat art. 23 lid 1 Coördinatieverordening voor de lidstaat een bevoegdheidsgrondslag schept voor intrekking en terugvordering van de ESF-subsidie. De Afdeling lijkt dus uit een Europeesrechtelijke verplichting tot terugvordering een bevoegdheid voor nationale bestuursorganen af te leiden.9 De vraag welk bestuursorgaan naar nationaal recht bevoegd is om tot intrekking over te gaan, moet volgens de Afdeling worden beantwoord aan de hand van de modaliteiten van het nationale recht. In casu wordt gekeken naar art. 4:49 Awb. Op grond van deze bepaling is tot intrekking bevoegd het orgaan dat de subsidie heeft vastgesteld. Een verordeningsconforme uitleg van deze bepaling10 leidt volgens de Afdeling tot de conclusie:
‘[…] dat het bestuursorgaan dat de subsidie heeft vastgesteld ingevolge deze bepaling ook bevoegd is het vaststellingsbesluit in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen indien ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening voor de lidstaat Nederland een verplichting bestaat om van de subsidieontvanger door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren.’11
De vraag welke van de drie in art. 4:49 lid 1 Awb neergelegde gronden zich voordoet, beantwoordt de Afdeling in deze uitspraak niet.12,13
De door de Afdeling in de ESF-zaak gestelde prejudiciële vraag is ook in latere jurisprudentie van het HvJ EU aan bod gekomen. In een arrest van het HvJ EU uit 2011 lijkt op deze vraag een duidelijker antwoord te worden gegeven. In de casus die aan dit arrest ten grondslag lag, betrof het een subsidie uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (hierna: EFRO). Bij de uitvoering van het subsidieproject werden de Europese aanbestedingsregels niet nageleefd, hetgeen leidde tot intrekking en terugvordering van de subsidie. Ten aanzien van de rechtsgrondslag voor deze terugvordering overwoog het HvJ EU:
‘Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 23, lid 1, derde streepje, van Verordening nr. 4253/88, juncto artikel 7, lid 1, van Verordening nr. 2052/88, in omstandigheden als die van het hoofdgeding een rechtsgrondslag vormt voor de terugvordering door de nationale autoriteiten bij de begunstigde van een volledige EFRO-subsidie, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, op grond dat deze begunstigde in zijn hoedanigheid van ‘aanbestedende dienst’ in de zin van Richtlijn 92/50, niet heeft voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn inzake het plaatsen van een overheidsopdracht voor dienstverlening met betrekking tot de uitvoering van de actie waarvoor deze begunstigde deze subsidie heeft ontvangen.’14
Het HvJ EU lijkt in deze uitspraak een stap verder te gaan dan in de ESFzaak, door te overwegen dat genoemde bepalingen van beide verordeningen de rechtsgrondslag vormen voor de terugvordering. Daarmee lijkt te worden gesuggereerd dat een grondslag voor terugvordering in de nationale regelgeving dan niet meer vereist is. Annotator Van den Brink merkt hierbij op dat het HvJ EU uitdrukkelijk verwijst naar de omstandigheden als die van hethoofdgeding. Betwijfeld kan worden of uit dit arrest in algemene zin kan worden afgeleid dat een Europese verplichting tot terugvordering altijd een rechtsgrondslag voor deze terugvordering vormt.
In het arrest Agroferm van het HvJ EU, waarin de terugvordering van productierestituties centraal stond, speelde een soortgelijke situatie als in de ESF-zaak.15 Een aanzienlijk bedrag aan productierestituties werd teruggevorderd, omdat bleek dat deze ten onrechte waren verstrekt. Een belangrijke vraag was of het (nationale) rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zich tegen terugvordering verzetten, nu Agroferm de restituties te goeder trouw had ontvangen. Het Unierecht bevatte, evenals in de ESF-zaak, een verplichting om tot terugvordering over te gaan, nu sprake was van een onregelmatigheid. De restituties waren immers ten onrechte verstrekt. Uit de conclusie van AG Kokott lijkt te kunnen worden afgeleid dat de in casu van toepassing zijnde verordening een zelfstandige grondslag voor intrekking kan vormen.16 Het HvJ EU overwoog in het daaropvolgende arrest echter overeenkomstig het ESF-arrest.17
Eind 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak opnieuw prejudiciële vragen gesteld.18 Het ging om een aan de Somalische Vereniging Amsterdam en Omgeving (SOMVAO) op grond van het Europees Vluchtelingenfonds (EVF) verleende en vastgestelde subsidie welke werd ingetrokken omdat sprake was van een onvoldoende deugdelijke administratie. De Afdeling constateerde dat het nationale recht, meer specifiek art. 4:49 lid 1 Awb, geen grondslag bood voor intrekking, omdat geen van de in deze bepaling neergelegde intrekkingsgronden zich voordeed. Vervolgens stelde de Afdeling zich de vraag of een grondslag voor intrekking kon worden gevonden in het Unierecht. De ondeugdelijke administratie kon namelijk worden gekwalificeerd als een onregelmatigheid in de zin van art. 1 lid 2 van Verordening 2988/ 95 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese gemeenschappen. Op grond van art. 4 van diezelfde verordening dient een onregelmatigheid te leiden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorts was Verordening 1605/2002 inzake het Financieel Reglement van belang, nu daarin was bepaald dat de lidstaten als gevolg van onregelmatigheden verloren gegane middelen terug moesten vorderen. Tot slot was er een beschikking van de Commissie gericht tot de lidstaten waarin een terugvorderingsregeling was opgenomen voor bijdragen afkomstig uit het EVF. Het HvJ EU heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 18 december 2014.19 In dit arrest oordeelt het HvJ EU als volgt:
‘Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 53 ter, lid 2, initio en sub c, van verordening nr. 1605/ 2002 aldus moet worden uitgelegd dat bij gebreke van rechtsgrondslag naar intern recht deze bepaling een rechtsgrondslag biedt voor een besluit van de nationale autoriteiten tot wijziging, ten nadele van de ontvanger, van het bedrag van een uit het Europees Vluchtelingenfonds verstrekte subsidie, in het kader van het gedeelde beheer onder de Commissie en de lidstaten, en tot terugvordering lastens de ontvanger van een deel van deze subsidie.’
Volgens het HvJ EU kunnen nationale autoriteiten aldus direct aan de betreffende verordening een bevoegdheid tot wijziging en terugvordering ontlenen. Annotatoren Van den Brink en Den Ouden wijzen mijns inziens terecht op deze van het ESF-arrest afwijkende formulering van het HvJ EU. De opvatting dat bestuursorganen bevoegdheden rechtstreeks aan een Europese verordening kunnen ontlenen kan dan ook op dit arrest worden gefundeerd.
Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
Een tweede vraag die centraal stond in de ESF-zaak was de werking van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Deze beginselen maken deel uit van zowel de Europese als de nationale (Nederlandse) rechtsorde. Er bestaan echter discrepanties wat betreft de toepassing van deze beginselen al naargelang de Unierechtelijke of de nationale variant geldt.20
Wanneer sprake is van indirecte toepassing van het EU-recht (bestuursorganen passen ter uitvoering van het EU-recht het nationale recht toe), gelden het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.21 Op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel dienen voor zowel terugvordering van Europese subsidies als nationale subsidies dezelfde nationale rechtsregels te worden toegepast. Het doeltreffendheidsbeginsel houdt voorts in dat terugvordering van een onrechtmatige Europese subsidie niet praktisch onmogelijk mag worden gemaakt.22 Op grond van onder meer het arrest Deutsche Milchkontor gold dat bij indirecte toepassing ruimte bestaat voor toepassing van het nationale vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel in acht werden genomen. Meer specifiek was voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de subsidieontvanger te goeder trouw was.23 Daarbij is van belang dat wordt uitgegaan van een professionele marktdeelnemer. Wanneer het gaat om niet naleving van een subsidieverplichting is niet allen relevant of deze verplichting al dan niet aan de geadresseerde is meegedeeld, maar ook of de geadresseerde zelf actie heeft ondernomen om te achterhalen wat zijn verplichtingen zijn.24Uit het arrest Stichting ROM25 kan in het verlengde daarvan worden afgeleid dat wanneer de geadresseerde niet op de hoogte kon zijn van een bepaalde verplichting, deze verplichting, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel, niet aan hem kan worden tegengeworpen. Het HvJ EG overweegt:
‘Zoals de Stichting ROM-projecten, de Nederlandse regering en de Commissie hebben betoogd, verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich in een dergelijke situatie, die wordt gekenmerkt door de onbekendheid van de eindbegunstigde met de voorwaarden van de verleningsbeschikking, ertegen dat deze voorwaarden aan de begunstigde worden tegengeworpen.’
In het ESF-arrest overweegt het HvJ EG dat ruimte bestaat om rekening te houden met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zij het dat een en ander dient te geschieden overeenkomstig de regels van het gemeenschapsrecht.26 Dat betekent onder meer dat daarbij eveneens uitgegaan wordt van een professionele marktdeelnemer.27 Het HvJ EG geeft voorts aan wat dit in casu betekent. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, indien sprake is van een zogenaamde kennelijke schending van de in geding zijnde regeling.28 Daarmee wordt bedoeld dat het moet gaan om een overduidelijke schending. Gedacht kan worden aan het niet naleven van essentiële subsidieverplichtingen.29 In haar einduitspraak inzake de ESF-subsidies oordeelt de Afdeling dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat sprake is van een kennelijke schending als hiervoor bedoeld. Er was immers gehandeld in strijd met art. 10 van de betreffende ESF-regeling.30
In het meer recente arrest Agroferm31 overweegt het HvJ EU ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel in navolging van eerdere jurisprudentie:
‘Dienaangaande zij benadrukt dat het vertrouwensbeginsel niet tegen een duidelijke Unierechtelijke bepaling kan worden aangevoerd, en dat een daarmee strijdige gedraging van een met de toepassing van het Unierecht belaste nationale autoriteit bij een marktdeelnemer geen gewettigd vertrouwen op een met het Unierecht strijdige behandeling kan wekken.’
Wanneer het bevoegde bestuursorgaan aldus handelt in strijd met een duidelijke Unierechtelijke bepaling, bijvoorbeeld door steun te verlenen in strijd met de betreffende Unierechtelijke regeling, leidt dit nimmer tot gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de subsidieontvanger. Van den Brink en Den Ouden merken hierover in hun annotatie bij het Agroferm-arrest het volgende op:
‘Deze uitspraak laat duidelijk zien dat nationale uitvoerende instanties bij de verstrekking van Europese subsidies steken kunnen laten vallen, waarvan de nadelen worden afgewenteld op de ontvangers. Dit past niet goed bij de Nederlandse noties van rechtszekerheid en vertrouwen, die juist in het subsidierecht een grote betekenis hebben.’
Europese invulling van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel levert al met al discrepanties op met de nationale invulling daarvan.
Het gedrag van het subsidieverstrekkende bestuursorgaan kan anderszins wel een van belang zijnde factor vormen in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel. Van den Brink en Den Ouden wijzen op de situatie waarin sprake is van het niet voldoen aan nationale (uitvoerings)voorschriften.32 In het hiervoor reeds genoemde arrest van het HvJ EU inzake SOMVAO33 overweegt het HvJ EU immers in navolging van het ESF-arrest:
‘Gelet op een en ander staat het aan de verwijzende rechter om te oordelen of, rekening houdend met het gedrag van zowel de subsidieontvanger als de nationale overheid, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, in hun Unierechtelijke opvatting, zijn geëerbiedigd ten aanzien van de verzoeken tot terugbetaling.’
In dergelijke gevallen is het gedrag van de subsidieverstrekker aldus een factor die in het kader van het vertrouwensbeginsel van belang kan zijn.