Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.2.1
III.11.2.1 Artikel 4:46 Awb (lager vaststellen subsidie)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374106:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4:46 lid 1 Awb. Is subsidie verleend onder een opschortende voorwaarde en deze voorwaarde wordt niet vervuld, dan dient de subsidie op grond van art. 4:46 lid 1 Awb op nihil te worden vastgesteld. Vgl. ABRvS 24 december 2008, AB 2009/411 m.nt. Den Ouden.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 72. Dat neemt niet weg dat zolang de subsidie nog niet is vastgesteld, de subsidieontvanger er rekening mee moet houden dat de subsidie lager kan worden vastgesteld. Zie onder meer ABRvS 8 september 2010, AB 2011/ 94 m.nt. Onrust.
Vaststelling op een hoger bedrag dan de subsidieverlening is niet mogelijk. Een verzoek daartoe wordt aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de subsidieverlening. Vgl. ABRvS 25 februari 2004, AB 2004/261 m.nt. Den Ouden
Het betreft een limitatieve opsomming. Vgl. ABRvS 17 augustus 2011, AB 2011/316 m.nt. Den Ouden en JB 2011/210.
CBb 8 mei 2008, AB 2008/273 m.nt. Van der Vlies. Het CBb overweegt (r.o. 5.7): ‘Aangezien verweerder, hoewel hij dienaangaande over gegevens beschikte, bij de aanvraag om subsidieverlening geen aanleiding heeft gezien om op grond van de in artikel 2, derde lid, onder b. van de Subsidieregeling de subsidie niet te verstrekken, en deze beschikking rechtens onaantastbaar is geworden, kan verweerder in het kader van de vaststelling van de subsidie niet meer op deze grond de subsidie op nihil vaststellen en daarmee feitelijk alsnog de subsidie weigeren.’ Zie ook Van Kreveld 1988, p. 204 en Bok 2002, p. 118 met een verwijzing naar ARRvS 15 februari 1993, AB 1993/249 m.nt. Verheij.
Art. 4:30 Awb. In het kader van de vaststelling mogen niet plotseling andere eisen worden gesteld aan uitvoering van de activiteiten. De verleningsbeschikking is bepalend. Vgl. ABRvS 21 juli 1995, AB 1995/568 m.nt. Verheij.
ABRvS 12 september 2000, AB 2000/422 m.nt. Verheij. Aangetoond zal moeten worden dat de activiteiten hebben plaatsgevonden. Kan de subsidieontvanger dit niet, dan kan de subsidie lager worden vastgesteld. Vgl. ABRvS 13 april 2005, AB 2005/238 m.nt. Verheij.
Zie voor het verbinden van verplichtingen aan de subsidieverlening de artt. 4:37 e.v. Awb. Wanneer de subsidieontvanger het niet eens is met dergelijke verplichtingen, moeten bezwaren hieromtrent in het kader van de subsidieverlening worden aangevoerd. Dit kan in het kader van de subsidievaststelling niet meer geschieden. Vgl. onder meer ABRvS 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9890. Zie voor een soortgelijke overweging ABRvS 13 juni 1996, AB 1997/2 m.nt. Verheij onder nr. 3.
Zie onder meer ABRvS 18 december 2013, Gst. 2014/65 m.nt. West, ABRvS 1 mei 2013, AB 2013/193 m.nt. Den Ouden en ABRvS 16 februari 2005, AB 2005/362 m.nt. Den Ouden.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 72-73. Anders: Van Kreveld 1988, p. 216 e.v. Wanneer de subsidieverstrekker gebruik maakt van een aanvraagformulier, zal dat formulier wel duidelijk moeten zijn. Is dat niet het geval, dan kan de onvolledigheid van de aanvraag niet aan de subsidieontvanger worden tegengeworpen. Vgl. ABRvS 29 mei 2013, AB 2013/356 m.nt. Drahmann. De Afdeling merkte in deze uitspraak voorts op, dat nu een subsidieplafond was ingesteld, een aanvrager ook maar één kans heeft om een succesvolle aanvraag in te dienen. Duidelijkheid van het aanvraagformulier is daarom essentieel.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 december 1997, JB 1998/9 m.nt. Simon en ABRvS 6 oktober 2004, JB 2004/372.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 73. Een tweede voorbeeld dat wordt genoemd is de situatie waarin de ontvanger uit eerdere contacten met het bestuursorgaan moet kunnen afleiden dat de subsidiebeschikking onjuist is. Ook in dat geval is de onjuistheid voor de subsidieontvanger kenbaar.
Voor de volledigheid wordt nog gewezen op art. 4:46 lid 3 Awb, waarin is bepaald dat voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de subsidievaststelling niet in aanmerking worden genomen.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 1 maart 2006, AB 2006/188 m.nt. Verheij en JB 2006/114. Het betrof huursubsidie op grond van de Huursubsidiewet, waarbij een afwijkende vermogensgrondslag werd gehanteerd. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak had de subsidieontvanger niet redelijkerwijs kunnen begrijpen dat ten onrechte huursubsidie was verleend. Zie voorts CBb 30 december 2014, JB 2015/47, waarin het feit dat de subsidieontvanger in de verleningsbeschikking op het verkeerde been werd gezet, aanleiding was voor het oordeel dat geen sprake was van een kennelijk onjuiste beschikking.
Vgl. Van Kreveld 1988, p. 203. Zie voor een voorbeeld ABRvS 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3306: ‘Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit de stukken niet blijkt dat meer dan één intervisiebijeenkomst is georganiseerd. […] De rechtbank is dan ook terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college in redelijkheid tot het vastgestelde subsidiebedrag heeft kunnen komen, door daarbij, op basis van de – financiële – verantwoording van de Stichting, slechts een zesde deel van de kosten voor organisatie, coördinatie alsmede individuele begeleiding van coaches in aanmerking te nemen. Het college heeft aldus uitsluitend het deel van het subsidiebedrag in mindering gebracht dat was verleend voor – en in redelijkheid kan worden toegerekend aan – activiteiten waarvan bij de verantwoording niet is gebleken dat zij zijn uitgevoerd.’
Vgl. Van Kreveld 1988, p. 203. In ARRvS 18 mei 1993, AB 1994/290 m.nt. Verheij onder nr. 292 waren niet alle voorzieningen getroffen, waardoor de woningen niet aan de eisen van bewoonbaarheid voldeden. De toekenning mocht aldus geheel worden ingetrokken.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 73 met een verwijzing naar onder meer ARRvS 8 april 1993, AB 1993/351 m.nt. Verheij onder nr. 352. De MvT noemt daarnaast nog de situatie waarin de aanleg van bos wordt gesubsidieerd vanaf 5 ha. Als slechts 4 ha bos wordt aangelegd, dan kan de subsidie ook op nihil worden vastgesteld.
Vgl. bijvoorbeeld CBb 29 november 1995, AB 1996/115 m.nt. Van der Veen en CBb 6 november 1996, AB 1997/161 m.nt. Van der Veen.
ARRvS 8 april 1993, AB 1993/351 m.nt. Verheij onder nr. 352, ARRvS 13 september 1993, AB 1994/292 m.nt. Verheij, ABRvS 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8042 en ABRvS 7 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8043. Van dergelijk beleid kan worden afgeweken, indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Vgl. ABRvS 24 juli 1998, JB 1998/202.
ABRvS 27 maart 2013, AB 2013/161 m.nt. Den Ouden.
CBb 16 november 1999, AB 2000/30 m.nt. Van der Veen en CBb 27 november 2001, AB 2002/31 m.nt. Van der Veen.
Vgl. CBb 18 december 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AD8478.
CBb 30 augustus 2011, AB 2012/96 m.nt. Den Ouden.
CBb 7 juni 2011, AB 2011/278 m.nt. Den Ouden.
Zoals aangegeven in de inleiding van dit hoofdstuk wordt normaliter een beschikking tot subsidieverlening gegeven, waarna het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld. Hoofdregel is dat de subsidie wordt vastgesteld overeenkomstig de subsidieverlening.1 Voorwaarde daarvoor is dat de gesubsidieerde activiteit is uitgevoerd conform de subsidieverlening en de (eventueel) daaraan verbonden verplichtingen.2 De Awb biedt daarnaast ook de mogelijkheid om een subsidie lager dan op het bedrag dat in de subsidieverlening is opgenomen, vast te stellen. Lagere vaststelling is op grond van art. 4:46 lid2 Awb in een viertal gevallen mogelijk.3,4 De lagere vaststelling van de subsidie mag echter niet worden gebruikt om de subsidie alsnog te weigeren, terwijl daarvoor ten tijde van de subsidieverlening geen aanleiding voor aanwezig werd geacht.5
Op grond van onderdeel a van art. 4:46 lid 2 Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de gesubsidieerde activiteiten niet (geheel) hebben plaatsgevonden. Welke activiteiten verricht moeten worden om voor subsidie in aanmerking te komen, volgt uit de beschikking tot subsidieverlening.6 Vinden de activiteiten niet of niet geheel plaats, dan bestaat ook geen, dan wel een verminderde aanspraak op subsidie.7Onderdeel b geeft de bevoegdheid de subsidie lager vast te stellen indien niet is voldaan aan verplichtingen die aan de subsidieverlening verbonden zijn.8 Deze verplichtingen moeten wel kenbaar zijn voor de subsidieontvanger.9 Op grond van onderdeel c kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien deze is verstrekt ten gevolge van onjuiste of onvolledige informatie. Niet vereist is dat de aanvrager wist dan wel behoorde te weten dat de gegevens onjuist of onvolledig waren. Eventuele verwijtbaarheid aan de zijde van de geadresseerde kan wel een rol spelen bij de omvang van de verlaging van de subsidie.10 Tot slot kan de subsidie op grond van onderdeel d lager worden vastgesteld, indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.11 Met andere woorden: er moet sprake zijn van een voor de subsidieontvanger kenbaar onjuiste verleningsbeschikking, welke onjuistheid niet het gevolg is van door hem verstrekte onjuiste of onvolledige gegevens. De memorie van toelichting noemt in dit kader het voorbeeld een typefout waardoor een subsidiebedrag is genoemd dat een factor tien hoger is dan is bedoeld.12,13 Wanneer een wettelijk stelsel gecompliceerder is, en het voor de subsidieontvanger dus moeilijker te achterhalen valt of een hem toegekende subsidie al dan niet juist is, wordt minder snel aangenomen dat sprake is van kennelijke onjuistheid.14
Als eenmaal vaststaat dat de subsidie op een lager bedrag mag worden vastgesteld, moet worden bezien op welk bedrag deze vaststelling dan geschiedt. Daarbij is het evenredigheidsbeginsel van belang, welk beginsel vereist dat de (omvang van de) lagere vaststelling in verhouding moet staan tot de mate waarin niet is gehandeld conform de subsidieverlening dan wel de mate van onjuistheid van de subsidieverlening.15 Het toepassen van de evenredigheidsnorm blijkt niet eenvoudig.
Is de gesubsidieerde activiteit in het geheel niet verricht, dan ligt het voor de hand dat de subsidie op nihil wordt vastgesteld. Wanneer de activiteit slechts gedeeltelijk niet is verricht, is mede van belang in hoeverre het doel waarmee subsidie is verstrekt ook daadwerkelijk is bereikt.16 De memorie van toelichting noemt het voorbeeld van een onderzoek dat maar half is uitgevoerd. Het vaststellen van de subsidie op nihil ligt dan in de rede.17 Bij het niet handelen conform aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen ligt een en ander gecompliceerder. Van belang is onder meer het belang van handhaving van de verplichting (bijvoorbeeld een doelmatige uitvoering van de regeling of het tegengaan van misbruik of oneigenlijk gebruik)18 en de ernst van de tekortkoming.19 Wanneer beleid wordt gevoerd inhoudende dat wanneer de afwijking van de gesubsidieerde activiteiten een bepaalde omvang heeft (bijvoorbeeld afwijking met een bepaald percentage van de gesubsidieerde oppervlakte bomen), de subsidie op nihil wordt vastgesteld, lijkt de tendens dat niet snel strijd met het evenredigheidsbeginsel wordt aangenomen.20
Hoewel het evenredigheidsbeginsel dus als maatstaf dient bij het lager vaststellen van de subsidie op grond van art. 4:46 lid 2 Awb, blijkt toepassing van dit beginsel tot wisselende uitkomsten te leiden. De Afdeling bestuursrechtspraak lijkt een minder strenge toets aan te leggen bij beantwoording van de vraag of toepassing van art. 4:46 lid 2 Awb al dan niet evenredig is, dan bijvoorbeeld het CBb. Zo kan het niet voldoen aan een verantwoordingsplicht volgens de Afdeling leiden tot het op nihil vaststellen van de subsidie.21
De jurisprudentie van het CBb laat een wat genuanceerder beeld zien. Het College maakt onderscheid tussen administratieve verplichtingen en zogenaamde hoofdverplichtingen.22 Is een voor de subsidieontvanger geldende verplichting geschonden, maar is deze schending niet zwaarwegend genoeg, dan wordt aangenomen dat geen sprake is van schending van een hoofdverplichting.23 Zo oordeelde het CBb bijvoorbeeld dat de enkele schending van een meldingsplicht niet kon leiden tot het op nihil vaststellen van een subsidie.24 Een ander voorbeeld biedt een uitspraak van het CBb uit 2011. Er was wel gehandeld overeenkomstig het subsidiedoel. Vaststelling van de subsidie op nihil werd in strijd met het evenredigheidsbeginsel geacht. Het CBb bepaalde dat een korting van 10% was toegestaan.25