Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.2.2:I.2.2 Zaak
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/I.2.2
I.2.2 Zaak
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2015
- Datum
01-05-2015
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483083:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie: TM, PG Boek 3, p. 63.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip ‘zaak’ wordt in art. 3:2 BW gedefinieerd als ‘de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.’ Dit is een feitelijke omschrijving van wat een zaak is. De betekenis van het zaaksbegrip is blijkens de Parlementaire Geschiedenis echter tweeledig. Met betrekking tot het samenvoegen van zaken en vermogensrechten als ‘goederen’ stelde Meijers in zijn Toelichting reeds dat dit ongelijkwaardige grootheden zijn, nu zaken het voorwerp van vermogensrechten zijn, in die zin dat met een vermogensrecht eigenlijk niet een zaak, maar het eigendomsrecht op die zaak op één lijn staat. Meijers stelt dat het spreken van “de overdracht van het eigendomsrecht op een zaak” – wat juridisch als juister gezien kan worden – iets gedwongens zou geven aan de rechtstaal.1 Om die reden bleef de samenvoeging van zaak en vermogensrecht als ‘goed’ gehandhaafd.
Het is echter niet altijd zo dat als het Burgerlijk Wetboek spreekt van ‘zaken’ men eigenlijk ‘het eigendomsrecht op de zaak’ dient te lezen. Bij de revindicatie in de zin van art. 5:2 BW is het bijvoorbeeld de feitelijke zaak die men opeist en niet het eigendomsrecht op die zaak.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het begrip ‘zaak’ een tweeledige toepassing kent: enerzijds ziet het op het stoffelijke object, anderzijds kan het duiden op het eigendomsrecht op dat stoffelijke object. In dit onderzoek zal uit de context blijken welke toepassing van het zaaksbegrip geïntendeerd wordt.